Individual Notes
Note for: Rein Seerps, 1610 - Index
Individual Note: Zie http://stamboom.walta.org/
Individual Notes
Note for: Broer Baukes Haagsma, 16 MAY 1831 - Index
Occupation:
Place: Boekhouder bij graanhandelaar Bonnema te Harlingen.Bonnema vertrok met een groep (veelal zijn werknemers) naar de USA.
Individual Note: Achternaam Haagsma
Voornamen Broer Boukes
Haagsma, Broer Boukes (1831-) Lotgevallen van den heer O. H. Bonnema en zijne togtgenoten, op reis uit Friesland naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika
Harlingen, [1853], 40 p.
In 1853, a group of Frisians settled in New Amsterdam, Holland Township, Lac Crosse County. It was said that the bottomlands along the Mississippi River reminded them of their homeland. They came to America for economic reasons and were led by Oepke H. Bonnema, a wealthy grain dealer who was determined to help his needy friends and neighbors emigrate to America. He was assisted by Broer Baker Haagsma, a school teacher. On February 26, 1855, a group of ninety-two Dutch emigrants left Harlingen for England. They traveled by train to Liverpool, where on March 23rd they boarded a ship bound for America. They suffered a shipwreck in the Bahama Islands and finally arrived in New Orleans on June 9. They sailed up the Mississippi River, arriving in St. Louis on June 12. They continued up the river, stopping at Davenport, Iowa, and Galena, Illinois. From there they traveled to Minnesota and on to Prairie La Crosse, where they arrived on July 1. By November 15, 1853, they had built five frame houses in a settlement they called Frisia but later named New Amsterdam. Among the early settlers were Bonnema and Haagsma.
Het schip waar me ze voeren ""William and Mary"" leed schipbreuk bij de Bahama eilanden.
The Captain of the William and Mary was Spinson. It left Liverpool on March 22,1853
with 81 passengers of Dutch birth, six of whom remained at Liverpool. Their leader was
O.E.Bonnema. Also aboard were 176 Irishmen. The Irish names were not included in the
list I found but I will try to locate them and add them at a later time.
The William and Mary was shipwrecked near Nassau in the Bahamas on Isaac Rock.
The Passengers were deserted and left for dead by the Captain and crew. The Passengers
were rescued by a group of Blacks who also collected money for them to continue on to
New Orleans. When the group arrived at New Orleans on June 11,1853 they found that
the Captain and crew had preceded them and falsely reported that “all were lost at sea”.
Eleven passengers were lost at sea before the shipwreck but that was due to sickness.
From New Orleans they went on to Wisconsin and Michigan.
Name Age From
Tjypka Dirks Algra(M)25,Franekeradeel,Friesland
Jan Balkstra(M)29,Harlingen,Friesland
Sjoerd Douwes Bekius(M)22,Het Bild,Friesland
Ulke Bergsma(?)?,?
O.E.Bonnema(M)28,Wonseradeel,Friesland
Hendrikus DeBoer(M)29,Harlingen,Friesland
Mrs.DeBoer(F)?,Harlingen,Friesland
Herke DeJong(M)43,Harlingen,Friesland
Mrs.DeJong(F)?,Harlingen,Friesland
?DeJong(?)?,Harlingen,Friesland
?DeJong(?),?,Harlingen,Friesland
Jelle Hermanus Gorsema(M)24,Wonseradeel,Friesland
Bauke Douwes Graafsma(M)40,Wonseradeel,Friesland
Mrs.Graafsma(F)?,Wonseradeel,Friesland
?Graafsma(?)?,Wonseradeel,Friesland
?Graafsma(died at sea)(?)?,Wonseradeel,Friesland
Broer Baukes Haagsma(M)22,Wonseradeel,Friesland
Sytske Martens Hiemstra(F)23,Het Bild,Friesland
Bertus Hofstra(M)30,Menaldumsdeel,Friesland
Pietje Hollander(?)?,?
Jan Willems Jansen(M)23,Franeker,Friesland
Grietje Jansonius(F)20,Menaldumsdeel,Friesland
Jans Kas Hendrik(M)27,Franekeradeel,Friesland
Jacob Sakes Kooistra(M)45,Wonseradeel,Friesland
Mrs.Kooistra(F)?,Wonseradeel,Friesland
?Kooistra(?)?,Wonseradeel,Friesland
?Kooistra(?)?,Wonseradeel,Friesland
?Kooistra(?)?,Wonseradeel,Friesland
?Kooistra(?)?,Wonseradeel,Friesland
?Kooistra(?)?,Wonseradeel,Friesland
Dirk Cornelis Kuiken(M)25,Het Bild,Friesland
Gerrit Molenaar(M)?,?
Cornelis Ploegsma(M)?,?
Beinze Cornelis Rienks(M)25,Het Bild,Friesland
Hendrik Rienks(M)?,Het Bild,Friesland
Pieter Jans Rooda(M)34,Het Bild,Friesland
Isaac Rorda(M)?,?
Peter Ages Salverda(M)32,Franekeradeel,Friesland
Naartje Pieters Schaaf(M)25,?
Rients Sikkes Sikkema(M)33,Barradeel,Friesland
?Sikkema(F)?,Barradeel,Friesland
?Sikkema(died at sea)(?)?,Barradeel,Friesland
?Sikkema(died at sea)(?)?,Barradeel,Friesland
Johannes Derks Steenstra(M)38,Franekeradeel,Friesland
Mrs.Steenstra(F)?,Franekeradeel,Friesland
?Steenstra(?)?,Franekeradeel,Friesland
?Steenstra(?)?,Franekeradeel,Friesland
?Steenstra(?)?,Franekeradeel,Friesland
Peter Tal(died at sea)(M)?,?
Sjoerd Tjalsma(M)?,?
Mrs.Tjalsma(F)?,?
?Tjalsma(died on the Mississippi river)(?)?,?
?Tjalsma(?)?,?
?Tjalsma(?)?,?
?Tjalsma(?)?,?
?Tjalsma(?)?,?
?Tjalsma(?)?,?
Johannes Jans Tuininga(M)40,Barradeel,Friesland
Mrs.Tuininga(F)?,Barradeel,Friesland
?Tuininga(?)?,Barradeel,Friesland
?Tuininga(?)?,Barradeel,Friesland
?Tuininga(?)?,Barradeel,Friesland
?Tuininga(died at sea)(?)?,Barradeel,Friesland
?Tuininga(died at sea)(?)?,Barradeel,Friesland
Jan Martens Vander Ploeg(M)20,Westdongeradeel,Friesland
Bautje Vander Ploeg(F)?,?
Maartje Vander Ploeg(F)?,?
Matje Sopes Vander Ploeg(F)21,Het Bild,Friesland
Petrus Jans Vander Tol(M)29,Franekeradeel,Friesland
Bart Vander Veer(M)?,?
O.M.Wagenaar(?)?,?
Siebren Riekeles Wesselius(M)56,Barradeel,Friesland
Mrs.Wesselius(F)?,Barradeel,Friesland
?Wesselius(?)?,Barradeel,Friesland
?Wesselius(?)?,Barradeel,Friesland
?Wesselius(?)?,Barradeel,Friesland
Arijen Gerrits Westerhuis(M)38,Barradeel,Friesland
?Westerhuis(?)?,Barradeel,Friesland
?Westerhuis(?)?,Barradeel,Friesland
?Westerhuis(?)?,Barradeel,Friesland
?Westerhuis(?)?,Barradeel,Friesland
?Westerhuis(?)?,Barradeel,Friesland
Dirk Zewight(M)?,?
----------------------------------------------------------------------------------
Broer Baukes Haagsma is one of the PETITIONERS IN 1877 TO ST. LOUIS MAYOR H. OVERHOLZ
TO BE A CANDIDATE FOR RE-ELECTION
Individual Notes
Note for: Milius (Mieltjes) Lieuwes Huisman, 1 MAR 1821 - 1 OCT 1847 Index
Individual Note: Ongehuwd
Individual Notes
Note for: Eeltje (Eelke ) Eelkes (Bruinsma) de Jong, 1715 - 22 DEC 1782 Index
Individual Note: Eelke was boer op de Grote Hel, Helspaed 3 (It Heidenskip). Eelke Eelkes begint met 3 koeien en 1 kalf en hij is in het begin niet in staat om maar 1 stuiver te betalen. De omschrijving van 'gemeen boer' (een boer die het goed had) in het Quotisatiekohier van Workum 1749 is eigenlijk wat te veel gezegd. Want als men aanneemt dat iedereen naar draagkracht aangeslagen werd dan blijkt dat Eelke maar 25 Caroliguldens en 3 stuivers betaald, terwijl een boer met omschrijving ' boer, niet veel beslag' aangeslagen wordt voor 35 Caroligulden en 9 stuivers. Eelke heeft dan maar 4 koeien en 1 stier op wel 116 pondsmaat land.
In 1752 neemt kapitein van de legerafdeling in Workum Bavius Nauta, die ook o.a. burgemeester van Workum geweest was, de plaats van de provinsie over. Eelke boert dan goed want in vee en opbrengst gaat de plaats sterk vooruit. Al in 1758 kan hij een huur van 250 Caroligulden betalen.
In 1767 wordt Eelke eigenaar van de sate nr 460, de Rode Hel. Deze sate werd voor 382 c.g. verhuurd aan Age Wabes.
In 1776 heeft hij intussen al 21 koeien, 9 stieren en 2 paarden.
In 1783 zijn Age Wabes, Binte Jelles de Boer te Workum, Pytter Sierps en Tjibbe Jelles te Harich administratoren over de nagelaten boedel van Eelke Eelkes, die "de oude" werd genoemd..
De familienaam De Jong die voor Bruynsma in de plaats komt, is afgeleid van Eelke Eelkes eerdere bijnaam "de jonge"
Bron:http://members.home.nl/wildejong58/a1.htm#i2
Individual Notes
Note for: Jan Sjoerds Hoekstra, - Index
Individual Note: Jan Hoekstra verkocht de Bakkerij Sud 88 (Familebedrijf ) aan de familie Yntema de carrosseriebouwer.
Individual Notes
Note for: Sibolt Ykes, ABT 1705 - Index
Individual Note: Trouwregister Hervormde gemeente Hemelum Mirns Bakhuizen,
1752
DTB nr: 371, 1706 - 1810
Vermelding: Bevestiging huwelijk van 17 september 1752,
Hemelum
Man: Sibolt Ykes
Vrouw: Jetzke Uilkes, de Wiel
Gestandaardiseerde namen: SIEBOUT IEKES en JETSKE UILKES
NB: Ontijdig die daarom ook van het classes gecensureerd is
Jetzke Uilkes meid van Silbolt IJkes
Individual Notes
Note for: Gosse Sjoerds Zaagsma, 1761 - 2 SEP 1846 Index
Individual Note: De kerk van Koudum.
In het jaar 1543 bedienden vier priesters de altaren van de, al oude, Martinikerk. Dat waren pastoor Merck, vicaris Doede en de prebendarissen Douwe en Arendt.
In 1614 liet grietman Douwe Hessels van Epema een nieuwe kerk bouwen. Het werd een grote kerk. Voor het fundament werden alleen al 180.000 stenen gebruikt en de muren waren 7 voet dik (± 2,40 m). Het werd een kruiskerk die in 1617 klaar was. Hierboven een plaatje van deze kerk vanuit het noord-westen gezien (vanaf de Wyk). Het muurwerk van de toren was 95 voet hoog en de spits had een lengte van 105 voet. Totaal was dat dus een hoogte van zo'n 68 meter. Dus meer dan twee keer zo hoog als de huidige toren. Door deze hoogte en de hoge plaats was de toren een baken voor de schepen op de Zuiderzee. Zelfs door door de zeelieden die het Vlie binnenvoeren werd de Koudumer toren als baken gebruikt.
In 1822 raakte de spits door blikseminslag in brand, doch de kloeke Koudumers Hendrik Jaspers van der Heide(±40 jaar) en Gosse Sjoerds Zaagsma (±60 jaar) klommen naar boven en wisten het brandende hout af te hakken en zo de brand meester te worden. Dit was niet de eerste brand, vijf jaar eerder was er ook al brand in de toren geweest.
Ruim twee eeuwen na de bouw was de bouwkundige staat van kerk en toren niet al te best meer. Er moest nodig iets gebeuren. De natuur heeft zich er toen mee bemoeid, want in 1830 rukte een stevige wind de spits eraf. Deze kwam boven op een huis terecht, dat totaal vernield werd. De haan belandde op de zolder van een ander huis. Restauratie was geen optie en in juli van 1831 werden de kerk en toren voor afbraak verkocht en in dat zelfde jaar werden bestek en voorwaarden gemaakt voor de bouw van een hele nieuwe kerk. Dit was een achtkantige "theebus" gelijkend op de kerk van Wons. Deze kerk schijnt niet zo praktisch en waarschijnlijk qua bouw ook niet optimaal geweest te zijn, want na 25 jaar was het bekeken en is de huidige kerk in 1857 gebouwd
Individual Notes
Note for: Balthazar Heldring, 17 MAR 1839 - Index
Occupation:
Place: Bankier
Individual Notes
Note for: Christiaan Pieter van Eeghen, 10 FEB 1880 - 28 JUL 1968 Index
Occupation:
Place: lid fa van Eeghen & Co (1880-1968) en dir. Ned. Ind. (later: Nationale) Handelsbank, voorz. Kamer van Kooph. en Fabr. voor N.-Holland
Individual Notes
Note for: Christiaan Pieter van Eeghen, 25 OCT 1816 - 25 OCT 1889 Index
Occupation:
Place: lid fa van Eeghen & Co., gedurende ruim 25 jaar president van de Nederlandsche Bank
Individual Note: filantroop en kunstbeschermer; kunstverzameling gedeeltelijk als bruikleen in het Rijksmuseum opgenomen; ontwerper en stichter Vondelpark te Amsterdam, dat hij aan de gemeente ten geschenke gaf
Individual Notes
Note for: Ernst Heldring, 21 SEP 1871 - 29 APR 1954 Index
Occupation:
Place: reder, bankpresident
Individual Note: Heldring, Ernst , reder, bankpresident (Amsterdam 21-9- 1871 - Amsterdam 29-4- 1954 ). Zoon van Balthazar Heldring, president van de Nederlandse Handelmij., en Olga Sophie Sillem. Gehuwd op 26-7-1910 met Marie Constance Bungener. Zij kregen 4 zoons en 2 dochters.
De vorming van Heldring is de in die tijd gebruikelijke voor jongelui uit de goedgesitueerde milieus die zich een carrière in het bedrijfsleven voor ogen stellen. Na de lagere school bezoekt hij de Openbare Handelsschool te Amsterdam (1884-1889), waarop leerjaren op een Amsterdams handelskantoor (1889-1892), een reis naar West-Indië (1892-1893), leerjaren op Londense kantoren (1893-1895), een vertegenwoordiging van de Amsterdamse kofïïefirma W. Heybroek Jr. & Co. met een reis naar Noord-Amerika en West-Indië (1895-1897) en een studiereis naar Oost-Azië en Nederlands-Indië (1897-1899) volgen. De benoeming tot directeur van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij per 1 oktober 1899 sluit de vormingsfase af. In hetzelfde jaar publiceert hij het naar aanleiding van zijn laatste reis geschreven boek Oost-Azië en Indië. Beschouwingen en Schetsen (Amsterdam, 1899).
Heldrings loopbaan omvat de jaren 1899-1949 en het is in deze halve eeuw dat hij zich ontplooit tot de ondernemer van de breedste allure van zijn generatie, alhoewel niet in strikt economische zin de meest succesrijke. Zonder twijfel komt hij tot belangrijke initiatieven: in 1898 medeoprichter van de N.V. Zeehaven en Kolenstation 'Sabang', in 1902 van de Java-China-Japan Lijn; in 1904 neemt hij als eerste het initiatief om de Zuid-Amerika-Lijn (later Koninklijke Hollandsche Lloyd) uit Duitse handen te houden en in 1912 is hij de centrale figuur in de fusie tussen de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij en de Koninklijke West-Indische Maildienst. Anderzijds lukt het hem niet de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij ongeschonden door de depressiejaren '30 te loodsen; zonder regeringssteun zou deze ten onder zijn gegaan. Een dergelijk falen valt niet uitsluitend negatief uit te leggen. Uit overwegingen van algemeen belang was Heldring destijds tegenstander van devaluatie, ongeacht de omstandigheid dat zijn onderneming eerder gebaat was bij een tegengesteld standpunt. Dit gezichtspunt strookte echter niet met Heldrings verantwoordelijksheidsgevoel en integriteit, de eigenschappen die nog meer dan zijn verstandelijkheid, zelfvertrouwen en terughoudendheid in het oog springen, zowel bij degenen die na hem kwamen als de tijdgenoten. Was hij door afkomst en maatschappelijke positie al voorbestemd in allerlei bestuurlijke functies buiten zijn ondernemerschap te geraken, zijn verantwoordelijkheidsgevoel deed hem bredere kringen - economisch, kunstzinnig, wetenschappelijk, politiek en diplomatiek - beschrijven dan enig ander ondernemer van zijn tijd. Van 1922 tot 1931 is hij voorzitter van de Amsterdamse Kamer van Koophandel en Fabrieken en als zodanig woordvoerder van de hoofdstedelijke belangen. Wanneer in 1939 de Nederlandsche Handel-Maatschappij een president behoeft die het vertrouwen in deze onderneming kan herstellen, is de onkreukbare Heldring de aangewezen man.
Van zijn voornaamste arbeidsterrein, de scheepvaart, zowel nationaal als internationaal, lopen vertakkingen naar een aantal commissariaten, waarvan die bij De Nederlandsche Bank en de Koninklijke Hoogovens en Staalfabrieken de voornaamste zijn. Op internationaal terrein combineert hij zijn bemoeienissen ter zake van de Internationale Kamer van Koophandel met economische werkzaamheid ten behoeve van onze diplomatie; in het verlengde daarvan ligt zijn activiteit in de examencommissies voor de buitenlandse dienst.
Als fervent vrijhandelaar volgt en beïnvloedt hij waar mogelijk, vooral in de periode tussen de twee wereldoorlogen de binnenlandse - voornamelijk economische - politiek, in 1938 uitmondend in het lidmaatschap van de Eerste Kamer voor de Liberale Staatspartij. Op wetenschappelijk en kunstzinnig terrein vormen het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, de Rijksakademie voor beeldende kunsten en de Vereeniging Rembrandt zwaartepunten. Al deze functies zijn geen lege ereambten maar werkkracht en deskundigheid eisende taken. Wanneer Heldring in 1932 een doctoraat honoris causa in de economische wetenschappen verwerft, is dit de laatste maal dat de economische faculteit der Amsterdamse universiteit een dergelijk gebaar jegens een ondernemer maakt.
Een groot man eerder dan een groot ondernemer, en wel vanwege de breedte eerder dan de grootte van zijn allure, in het bijzonder op economisch terrein. Mogelijk heeft daartoe zijn neurastenie bijgdedragen die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde en hem sedert 1917 noopte een dagboek bij te houden, voorafgegaan door zijn herinneringen. Tot december 1948 zou hij met grote regelmaat, behalve ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, notities maken die een ongekende kijk achter de schermen van het bedrijfsleven gunnen. Daarnaast maakte hij verslagen van zijn reizen, soms zeer gedetailleerd, drukte een eigen stempel op de jaarredes van de voorzitter der Amsterdamse Kamer van Koophandel en begeleidde zijn economische activiteit met een vloed van korte en lange artikelen in dagblad en tijdschrift
Amsterdamse ondernemer en reder, die in de jaren kort voor en na 1945 Eerste-Kamerlid was. Onder meer oprichter van de Java-China-Java-lijn en directeur van de Koninklijkse Nederlandse Stoomboot-Maatschappij. In de jaren '30 de grote voorman van de Amsterdamse Kamer van Koophandel. Had brede culturele, maatschappelijke, wetenschappelijke en politieke belangstelling.
ridderorden
- Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 28 augustus 1920
- Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 28 mei 1926
- Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau
Individual Notes
Note for: Otto Gerhard Heldring, 17 MAY 1804 - 11 JUL 1876 Index
Individual Note: oprichter van Heldringsgestichten
Heldring, Otto Gerhard -, 1804-'76, predikant te Hemmen 1827-'67, waar hij zich wijdde aan zijn stichtingen van liefdadigheid. Man van 't Réveil. Daarnaast schreef hij o.a. Wandelingen ter opsporing van Bataafsche en Romeinsche Oudheden, 1838, '48; ook was hij redacteur v.d. Geldersche Volksalmanak. Proefschrift over hem van A. v.d. Hoeven, 1942.
HELDRING, Otto Gerhard, Bahnbrecher der Gefährdetenfürsorge, * 17.5. 1804 als Pfarrerssohn in dem Grenzstädtchen Zevenaar, das damals zu Deutschland gehörte, aber 1816 wieder an die Niederlande abgetreten wurde, † 11.7. 1876 in Marienbad (Böhmen), beigesetzt in Zetten auf der Betuwe, der Flußinsel zwischen Waal und Rhein. - H.s Vater war von Geburt Niederländer und seine Mutter deutschen Ursprungs. Sein Urgroßvater väterlicherseits war um die Mitte des 17. Jahrhunderts um seines Glaubens willen aus seinem Geburtsland Hessen in die Niederlande geflüchtet. Seine Mutter war die Tochter des Pfarrers Johann Wilhelm Janssen in Pfalzdorf bei Kleve. "Ihr Pietismus hatte nichts Schwärmerisches; er war rein wie Gold und klar wie Kristall." Nach vierjährigem Besuch der Lateinschule seiner Vaterstadt bezog H. im Herbst 1820 die Universität Utrecht und bestand im Oktober 1826 das theologische Examen. Er war bei etwa 100 unbesetzten Pfarrstellen der einzige Predigtamtskandidat. H. stand hilflos und unreif dem Amt gegenüber, als er mit 22 Jahren zum Pfarrer der nur 150 Seelen zählenden Gemeinde Hemmen in der Betuwe berufen wurde: "Eins kann ich doch tun: Liebe üben, Liebe verkündigen." Wie H. "die Perle, die Gewißheit der Rechtfertigung durch den Glauben allein", fand und dadurch ein rechter Prediger wurde, erzählt er selbst: "Kaum drei Monate nach meinem Amtsantritt wurden Zetten und Randwyk vakant; ich wurde Pfarrverweser über beide Gemeinden, und hierdurch breitete sich meine Arbeit über die ganze Gegend zwischen Rhein und Waal aus. Dreifache Katechisationen und Krankenbesuche gaben sehr viel zu tun. Manchmal war es dann, als ob auf den einsamen Wanderungen nach den anderen Dörfern mir alles zurief: "Was bist du doch so eifrig und treu " Dann folgte aber auf der Stelle eine zweite Stimme, die mich mahnte: >Wieviel Ehrgeiz, Ruhmsucht und Eitelkeit sind die Triebfedern deines Herzens So wanderte ich die Tage vor Weihnachten umher, ringend nach Licht und Trost, Ruhe und Kraft, nach der Sicherheit, die ich suchte und doch nicht fand. Auf einem ganz anderen Weg, als ich immer erwartet hatte, wurde ich zu Christus geführt. Ich las eine Weihnachtspredigt, weil ich zum erstenmal die Geburt des Heilandes verkündigen mußte. Da trafen mich zwei Fragen, die im Thema dieser Predigt ausgedrückt waren: Warum wurde Christus als ein Kind, warum als ein armes Kind geboren? Es waren zwei Fragen, die so oft schon bei mir aufgetaucht, stets unbeantwortet geblieben waren; aber da ich sie nun las und zugleich die Antwort darauf, so einzig wahr und schön, da konnte ich das Buch weglegen und Gott danken, daß ich die Perle gefunden hatte. Meine Worte waren: >Ausgelitten, ausgestritten, überwunden < Mit der höchsten Freude und Frieden in Christus konnte ich in den arbeitsreichen Weihnachtstagen das freudige Evangelium verkündigen: >Dir ist heute der Heiland geboren<, eine Wahrheit, um so herrlicher noch, weil sie an diesem Weihnachtsfest auch die meine geworden war. Nun wußte ich, daß nicht mein Eifer oder Tugend, nicht mein Glaube, Hoffnung oder Liebe meine Heimkehr in das ewige Vaterland mir sicherten, sondern allein die Gerechtigkeit, die in Christus Jesus ist. Ihn hatte ich nun kennengelernt, so wie er wirklich war und wie ich ihn zuvor nicht gekannt hatte." Nachdem H. zum lebendigen Glauben gekommen war, ging er mit viel Geschick und heiligem Ernst an die Arbeit für das geistliche und leibliche Wohl der Menschen. H. nahm den Kampf auf gegen die Trunksucht und die Hungersnot von 1845/46. Verarmte Familien siedelte er an im Anna-Paulowna-Polder und wandelte das verkommene Heidedorf Hoenderloo um in eine blühende Ansiedlung. Durch einen größeren Freundeskreis erhielt H. die Mittel, beide Siedlungen mit Kirche und Schule, Lehrer und Pfarrer zu versorgen, und eröffnete 1851 in Hoenderloo ein Durchgangsheim (Doorgangshuis) für verwahrloste Kinder. Als er 1847 das Gefängnis in Gouda besuchte, das einzige Frauengefängnis in Holland, gewann H. tiefe Einblicke in die Not der verwahrlosten und bestraften Mädchen. Die Rettung und Bewahrung der weiblichen Jugend sah er von nun an als seine Lebensaufgabe an. H. kaufte 1848 in Steenbeek bei Hemmen eine zahlungsunfähig gewordene Bierbrauerei und richtete sie als Mädchenasyl ein mit dem in der Hausordnung streng durchgeführten Grundsatz der Freiwilligkeit im Kommen und Gehen. Monatelang durchzug H. die Städte und rief durch seine Predigt über Hesekiel 34 (besonders Vers 4) auf zur Rettung der Gefährdeten und Prostituierten. Er eröffnete 1858 das Rettungshaus "Talitha kumi" für verwahrloste Mädchen, 1863 die Anstalt "Bethel" für minderjährige Mädchen und 1864 ein christliches Erziehungs- und Unterrichtsseminar (Normaalschool) für Töchter des Mittelstandes und baute 1870 eine eigene Kirche, nachdem er 1867 sein Pfarramt niedergelegt hatte, um sich ganz der Arbeit der bewahrenden und erziehenden Fürsorge widmen zu können. Durch sein Asyl, in dem bis zu seinem Tod 975 Mädchen Aufnahme gefunden haben, und seine Erziehungsgrundsätze wirkte H. bahnbrechend, so daß die Gründung mehrerer Anstalten in Deutschland auf seine Anregung zurückgeht. Auch an der Äußeren Mission in den Niederlanden hatte H. hervorragenden Anteil. "Es war eine Zeit, wo die Mission unter den Heiden ungeteilt meine Aufmerksamkeit auf sich zog, so daß in mir das sehnliche Verlangen erwachte, mein Amt als Prediger niederzulegen und Missionar zu werden." Davon hielt ihn ein Freund zurück. Es blieb stets sein Lieblingsgedanke, mit der Kolonisation zugleich Evangelisation zu verbinden. Das bevorstehende Fest der Niederländischen Missionsgesellschaft zur Erinnerung an ihr 50jähriges Bestehen gab H. 1847 die Veranlassung zu der Schrift "Der christliche Handwerker, dem Missionar als Mitarbeiter zugesellt". Seine Gedanken stimmten weithin mit denen des bekannten Johannes Evangelista Goßner (s. d.) in Berlin überein. ">Die Biene auf dem Missionsfeld< von Goßner hatte bei mir ein großes Verlangen erweckt, diesen Missionsfreund kennenzulernen, und die Hoffnung lebendig gemacht, daß wir seine reiferen Erfahrungen auf diesem Gebiet uns zunutze machen könnten." H. rief die Gesellschaft "De Christen Werkmann" ins Leben, die durch einen Aufruf zur Meldung von Missionshandwerkern aufforderte und für die Aufbringung der Kosten für ihre Ausrüstung und Überfahrt sorgen sollte. Johanen Hinrich Wicherns (s. d.) "Denkschrift" über die Innere Mission weckte in H. den Wunsch, Wichern zu besuchen. So reiste er im April 1850 nach Hamburg und auf Wicherns Rat nach Berlin zu Goßner. Auf seine Frage, ob er ihm nicht einen christlichen Handwerker für Java senden könnte, antwortete ihm Goßner: "Nichts lieber als das. Ich habe jetzt wohl niemanden; aber der Herr bringt mir wohl einen." Beim Abschied drückte ihm Goßner die Hand und sagte: "Nun, Held, dring durch zum Siege; laß dich nicht hemmen und wolle nicht hemmen " Nach einigen Monaten kamen drei junge Männer, denen bald weitere folgten. "Sie blieben erst eine Zeitlang bei mir", berichtet H., um die holländische Sprache zu lernen, und wohnten gemeinschaftlich in einem kleinen abgesonderten Häuschen nahe bei Steenbeek, seitdem das Missionarshäuschen genannt, während die Diakonissen, die mir Goßner zusandte, während dieser Zeit auf Steenbeek tätig waren und unterdessen die Ausrüstung in Ordnung brachten." Die Missionshandwerker wurden nach Java gesandt und veranlaßten dort, daß 1851 in Batavia "Het Java Comité" als "Gesellschaft für innere und äußere Mission" gegründet wurde. Ein Hilfskomitee in Amsterdam übernahm 1855 die Leitung. Als Goßner im Juni 1853 wieder vier junge Männer und zwei Diakonissen sandte, begab sich H.s ältester Sohn Otto, der drei Jahre später als Kandidat der Theologie starb, auf eine Kollektenreise, von der er etwa 3000 Gulden mitbrachte. Diese vier Missionshandwerker ließen sich auf den Sangi-Inseln nieder, während andere auf Niederländisch-Neuguinea die Stätte ihrer Wirksamkeit fanden. H.s Bemühungen, die "Niederländische Missionsgesellschaft" in Rotterdam für die Fortsetzung des von ihm erfolgreich durchgeführten Missionsversuch" durch Handwerker zu gewinnen, waren vergeblich. 1859 wurde "De Utrechtsche Zendingsvereeniging" gegründet, die H.s Missionshandwerker in Neuguinea unterstützte. - Als ein Mann der Erweckungsbewegung im 19. Jahrhundert war H. ein Geistesverwandter von Guillaume Groen van Prinsterer (s. d.), Isaak Da Costa (s. d.) und Abraham Capadose (s. d.). Auch als Volksschriftsteller wurde er bekannt