Individual Notes
Note for: Antie Willems Nijdam, ABT 1583 - BEF 1654 Index
Individual Note: "In Friesland werd bij eigenerfde
boerengeslachten de naam zeer veel ook in vrouwelijke lijn overgedragen
Individual Notes
Note for: Willem Willems Nijdam de Oude, ABT 1552 - ABT 1634 Index
Occupation:
Place: boer op Nijdamstra State bij Irnsumerzijl
Individual Note: Nijdam stammen van de plaats Nijdamstra bij de Nije dam bij Irnsumerzijl (bij Grouw)
Individual Notes
Note for: Fercke Folckerts Aytta, - 1460 Index
Individual Note: Blijkens de bronnen waren het welgestelde boeren,
die als de meesten van hun standgenoten de oorlog haatten en trachtten
buiten de verwikkelingen te blijven. Waarschijnlijk rond 1450 verliet e
lid van het geslacht, Ferke, de voorvaderlijke boerderij Aytta in Roordahuizum
en vestigde zich op de hem eveneens toebehorende boerderij Hemrikein in Warga
, die hij versterkte met een stins en een gracht. Hier hoopten hij en zijn
vrouw Syds veilig te zijn voor het op en neer gaande krijgsgeweld. Ferke
overleed in 1460 en liet drie zonen en een dochter na. Onder deze zonen was er
..n, meester Bocho, die priester werd; een bewijs voor de intellectuele
belangstelling van de familie. Ferke's andere zonen, Rintje en Gerbrand,
bleven wat hun vader was geweest, gezeten boeren, geen hoofdelingen.
In die groep kwam wel hun zuster Sjouk terecht toen zij, na de dood van
haar eerste man Jarich uit Metslawier, trouwde met de "vir nobilis" Rienk Albada
Individual Notes
Note for: Gerbeth Aytta, - Index
Individual Note: De Ayttastins stond in Leeuwarden, op de hoek van de Weaze en de naar de stins genoemde Ayttasteeg.
Ontstaan De oudste vermelding van de Stins dateert uit de 14e eeuw.
Geschiedenis In Leeuwarden kwamen verschillende stinsen voor, die eigendom waren van de verschillende families in de omgeving van de stad, zoals de Cammingha's, de Oenema's en Aytta's. De familie Aytta kwam oorspronkelijk uit Swichum, waar ze een State bezaten. De meest bekende Aytta is Wigle of Viglius Aytta.
Wigle bewoonde waarschijnlijk de Ayttastins, dat vermoeden we, omdat resten van zijn wapenschild nog aanwezig zijn. In de zestiende eeuw gaat het huis over in bezit van een andere familie. Omstreeks 1580 heeft Willem Lodewijk van Nassau hier enige tijd gewoond, voordat hij de Camminghastins aan de Grote Kerkstraat betrok.
De Ayttastins werd in het begin van de 20e eeuw afgebroken. Het huis werd toen vervangen door een pakhuis. Dit pakhuis draagt aan de steegzijde nog steeds de grote wapensteen van Aytta. Het wapen is blindgekapt, dat vermoedelijk in de patriottentijd heeft plaats gevonden, maar de wapensteen draagt nog wel de versierselen van het Gulden Vlies en de wapenspreuk 'Plus Oultre'. Het wapen zal waarschijnlijk van korenschoven voorzien zijn geweest: het wapen van Wigle van Aytta, raadsheer van Karel V en Philips II. Overal waar Wigle kwam, liet hij zijn sporen na d.m.v. een wapen bestaande uit korenschoven. O.a. in de Sint Baaf te Gent, waar hij de eerste en enige proost van geweest is.
Hoe de stins eruit heeft gezien, weten aan de hand van enkele afbeeldingen van de hand van Ids Wiersma, die hij in 1906 van de achterkant van het gebouw in bouwvallige staat voor de sloop maakte. Aan de hand van deze afbeeldingen lijkt het erop, dat we te maken hadden met een zaalstins, die wel op diverse plaatsen gewijzigd is, maar nergens ingrijpend verbouwd voor representatieve doeleinden. Aan een korte zijde zat een spitsbogige ingang tot het souterrain of de kelder, terwijl in de andere zijde een rondboog-restant zichtbaar is, dat mogelijk vroeger ook een ingang is geweest.
De bel-etage bevat enkele kleine rondboogvenstertjes, die we ook in de lange zijde tegen komen. Het onderste deel van de Stins bestond uit baksteen, maar na een cordonband gaat het muurwerk over in afwisselende kleurlagen. Dit kan erop duiden, dat de Stins later verhoogd is. Deze verhoging heeft dan in de tweede helft van de vijftiende eeuw plaats gevonden, toen de politieke rust nog niet in Friesland was teruggekeerd.
De Ayttastins kan een middeleeuws verdedigbare stins zijn geweest.
Bewoners Wigle of Viglius Aytta
- zestiende eeuw familie Aytta
ca 1580 Willem Lodewijk van Nassau
Huidige doeleinden Op de plaats van deze Stins bevindt zich nu een pakhuis.
Individual Notes
Note for: Wigle (Viglius) van Aytta van Zwichem, 19 OCT 1507 - 18 MAY 1577 Index
Occupation:
Place: humanist, jurist, staatsman
Individual Note: Viglius maakte carrière op grond van zijn bekwaamheden, niet op grond van afkomst en geboorte. Als zoon van een Friese boer, studeerde hij letteren en rechten te Leuven, Dole, Avignon en Valence. Ook na zijn studies vertoefde hij regelmatig in de universitaire kringen van Frankrijk, de Duitse landen, Zwitserland en Italië, waar hij wetenschappelijke relaties onderhield met diverse geleerden. Hij werd docent in de rechten te Padua, en tussen 1535 en 1541 was hij achtereenvolgens lid van het Reichskammergericht te Speyer en hoogleraar (rechten) te Ingolstadt.
In 1541 werd hij door Karel V benoemd tot lid en in 1549 zelfs tot voorzitter van de Geheime Raad te Brussel. Bovendien werd hij in 1543 ook lid van de Grote Raad en in 1554 voorzitter van de Raad van State. Als een van de meest vooraanstaande juristen van het toenmalige Europa was hij het brein van het Habsburgse regeringsapparaat te Brussel. Na de dood van zijn echtgenote kreeg Viglius de ambitie om tot proost van het Gentse Sint-Baafskapittel te worden benoemd, en om die reden liet hij zich door kardinaal Granvelle in 1562 priester wijden.
Viglius was een trouw dienaar van koning Filips II, wat niet wegneemt dat hij kritiek had op de politiek van de koning en met name op diens grote religieuze intolerantie, maar gebruskeerd heeft hij de koning nooit. Bij de afkondiging van de "Matiging" door Margaretha van Parma betoonde Viglius zich een voorstander van de voorgestelde maatregelen. Met Alva geraakte hij echter gauw op gespannen voet: wel had hij een groot aandeel in diens Criminele Ordonnantie, maar o.m. door zijn pleidooi voor terughoudendheid in de kettervervolging, zijn relaties met "verdachte" humanisten en zijn heftig verzet tegen de "tiende penning" haalde hij zich Alva's haat op de hals. In 1569 trad hij af als voorzitter van de Geheime Raad, maar bleef voorzitter van de Raad van State.
In 1569 stichtte hij te Leuven het Vigliuscollege.
Werken
Als rechtsgeleerde is Viglius vooral bekend door zijn Institutiones juris civilis in graecam linguam per Theophilum traductae (uitg. Basel, 1533), d.i. de eerste uitgave van de Griekse paraphrase van de Justinianus' Instituta.
Een belangrijke collectie geschriften van Viglius wordt bewaard in de Universitaire Bibliotheek te Göttingen.
Andere werken van Viglius
Commentaria in decem titulos Institutionum juris civilis (uitg. Basel,1534)
Epistolae politicae et historicae ad Joach. Hopperum (uitg. Leeuwarden, 1661)
Mémoires de Viglius et d'Hopper sur le commencement des troubles des Pays-Bas (uitg. door A. Wauters, 1858)
Vita Viglii ab ipso scripta (Den Haag, 1743)
Individual Notes
Note for: Aede Keimpes Jongama, - 1429 Index
Individual Note: Hij tekent in 1422 het verdrag tussen de Vetkoper en Schieringer hoofdelingen. Gesneuveld te Sondel.
Individual Notes
Note for: Oene Wiarda, - Index
Occupation:
Place: grietman van Leeuwarderadeel
Individual Notes
Note for: Rienck Poppes Popma, ABT 1370 - Index
Individual Note: Reijner Poppenzoon sloot in 1443 in Groningen een neutraliteitsverdrag met de stad Bremen, die in oorlog was met Oostergo, Westergo, Holland en Zeeland. Hij deed dat als hoofdeling op Terschelling, gevolmachtigd zendbode van dat land en van 's lands wege. Terschelling was dus een 'land', een feitelijk onafhankelijk staatje. In de tekst van het verdrag zelf, in het Staatsarchief van Bremen heet het: "Wij Reiner Poppenzoon hoofdeling en grietmannen en rechters van het gemene land van Terschelling." En het verdrag wordt besloten met: " .. zo hebben wij grietmannen en rechters des lands van Terschelling voor ons en onze inwoners ons landszegel besneden aan deze brief gehangen."
Uit een Friesche oorkonde van 1476 vertaald door Winsemius staat het volgende: "dwaet kund, kanlick ende openbaer alle goede lyuden deer dijsse brief schillen syaen ieff heard lessan, datter ien Schillenghe eff twyspan was twysken Renick Poppasoen op Schillengha fander ener zyde, ende twyska Ybele Silligha Sioerdts Poppasoens weduw, ende hyara beder dochteran ende swageren fan der oder zyde".
Individual Notes
Note for: Foppe Riencks Popma, ABT 1390 - Index
Individual Note: Hij sluit op 21 mei 1482 een handels- en vriendschapsverdrag met koning Edward IV van Engeland. De gedachte is dat met "Paedsy" Paessens in het noorden van Friesland wordt bedoeld. Dat was in 1482-1483 en het was meteen de laatste maal dat de toen allang verouderde naam Wuxalia werd gebruikt
Individual Notes
Note for: Poppe Sjoerts Popma, ABT 1352 - AFT 1422 Index
Occupation:
Place: heer van Terschelling
Individual Note: Poppe was heer (schout) van Terschelling. Hij pachtte het eiland van Filips van Bourgondie. Terschelling was in zijn tijd belangrijk voor de zeevaart. Dit uit zich onder meer in het loodswezen. In 1413 konden schepen op het Vlie gebruik maken van loodsen. In 1414 kreeg Poppe Zyvaerden van Terschelling door de graaf het bestuur over Griend opgedragen. Uit de bewoordingen blijkt reeds, dat ook hier een feitelijk bestaande situatie op zijn Hollands gewettigd werd.
Poppe Zijvertszoon deed datgene waar het in feite om te doen was: hij betaalde, net als zijn voorgangers en opvolgers, het huisgeld aan de graaf:
"1422. Tegen kwitantie van de heer op de 25e dag van juni ontvangen van Poppe Zijvertsz. van Terschelling het huisgeld dat die van Terschelling de grafelijkheid jaarlijks zijn verschuldigd, te weten van 12 stigen, elke stige voor 20 huizen gerekend, en elk huis 2 oude Vlaamse groten, waar hij voor betaald heeft 5 Engelse nobels, 5 Frankrijkse kronen, 1 Hollands schild en 7 Vlaamse groten, makende 5 pond 4 schellingen 9 Vlaamse groten."
Individual Notes
Note for: Sjoerd Sjoerds Popma, ABT 1325 - Index
Individual Note: In 1396 kwam de Hollandse vloot, met graaf Jan van Heenvliet, baljuw van Amstelland en graaf Gerrit van Egmond, baljuw van Medemblik, bij de strijd tegen de Friezen op het weerloze Terschelling terecht: brandschatting en verovering.
Op 27 augustus 1398 wordt Zijwaert Poppama als schout op Terschelling aangesteld door graaf Albrecht van Holland.
Individual Notes
Note for: Sjoerd Claezes Popma, ABT 1290 - Index
Individual Note: Sjoerd stichtte in 1330 een kapel te Oosterend op Terschelling, niet ver van zijn stins.
Individual Notes
Note for: Claes Elfs Popma, ABT 1265 - Index
Occupation:
Place: Rechter op Terschelling
Individual Note: Ten zuiden van Oosterend stond de stins van de familie Popma.
De Graaf van Holland, Willem III van Beieren, beschouwde zichzelf als de wettige heer van Friesland en dus ook van Terschelling. Op 3 mei 1322 droeg hij Claes Elfszoon op om voor hem, de graaf, recht te spreken, de opgelegde boeten te innen en kortom alle rechten uit te oefenen die hem als graaf naar zijn mening toekwamen. Hij noemde hem zijn rechter en beval de inwoners en allen die er hun zaken kwamen doen behulpzaam te zijn.
De Noorwestelijke vaarwaters.Volgens sommige geschiedschrijvers moet de gemeenschap van de Waddeneilanden met het vaste land rond 1300 ver-broken zijn. Een riviermond die al bestond (het latere Vlie) werd toen zo breed en diep dat het nodig werd om hier tonnen in te leggen. Behalve dit Vlie was er in het noordwesten nog een belangrijk zeegat, namelijk het Marsdiep.
Het oudste bekende bericht omtrent de betonning in het Vlie dateert uit 1323. Het betreft een overeenkomst tussen Claes Popma en zijn mederichters van der Schellingh, gesloten met de stad Kampen, welke van hertog Albrecht het recht had om
"tonnen moegen legghen jnt Vlie ende jnt Marsdiep". Volgens de overeenkomst met de stad kampen richtte Claes met zijn mederichter het "voerhuijs", het baken bij West-Terschelling op. Dit kan er op wijzen dat graaf Willem met zijn benoeming een Hollands tintje gaf aan een gewoon bestaande Friese rechtsituatie. De richter en zijn mederichter of mederichters waren de hoogstgeplaatsten, het gemene land de gezamenlijke vrije, grondbezittende boeren, de eigen-erfden.