Individual Notes

Note for:   Sied Ykes de Jong,   3 AUG 1849 - 18 APR 1938         Index

Individual Note:   Was eigenaresse van Hotel Teernstra voordat Jurjen Everts Teernstra (1862-1949) het hotel kocht.

1911 Balk, notaris J. H. Noordenbos
Inv. nr. 007088 repertoire nr. 97 d.d. 16 oktober 1911
Koopakte
Betreft de verkoop van een logement met doorreed te Balk,
koopsom fl. 7900
- Sied Ykes de Jong te Wijckel, weduwe van Jacob Eiberts
     Hoekstra, verkoper
- Jurjen Teernstra te Balk, koper


Individual Notes

Note for:   Teetske Egges van der Veer,   5 AUG 1859 - 13 JUN 1934         Index

Individual Note:   1911, boelgoed (notaris): Ypkje Sietes Visser te Sondel, weduwe van Egge Harmens van der Veer; Taetske van der Veer te Nijemirdum, weduwe van Roelof Ykes de Jong; Rintje Tromp te Sondel; Klaas Muizelaar te Nijemirdum; Harmen van der Veer te Nijemirdum; Klaas Beuckens te Sondel
1911, provisionele en finale toewijzing (notaris): betreft de verkoop van een huis, erf en land te Sondel, koopsom fl. 789; Harmen van der Veer te Sondel, verkoper; Teetske Egges van der Veer te Nijemirdum, weduwe van Roelof Ykes de Jong, verkoper, tevens als moeder van en voogd over Inne en Roelof Roelofs de Jong; Yke de Jong te Madera, verkoper; Egge de Jong te Nijemirdum, verkoper; Jan de Jong te Gulroy, verkoper; Yke Ykes de Jong te Nijemirdum als toeziend voogd; Rintje Tromp te Sondel, gehuwd met Janke van der Veer, verkoper; Klaas Muizelaar te Nijemirdum, gehuwd met Ypkje [moet zijn: Aaltje] van der Veer, verkoper; Klaas Beuckens te Sondel, gehuwd met Ypkje van der Veer, verkoper; Ypkje van der Veer te Sondel, gehuwd met Klaas Beuckens, verkoper; Johannes Veltman te Nijemirdum, verkoper
Egge van der Veer was tuinier, timmerknecht en later timmerman-aannemer

Individual Notes

Note for:   Sybolt Ykes de Jong,   1762 - 20 FEB 1853         Index

Christening:   
     Date:   15 JUL 1769


Individual Notes

Note for:   Jetske Haytses,   ABT 1720 -          Index

Individual Note:   Sneek, doopjaar 1730
Sneek, Doop Herv. gem. 1724-1748
DTB: 660
Dopeling: Jetske Haytses
Gedoopt op belijdenis op 28 juli 1730 in Sneek
Dochter van niet genoemde vader en niet genoemde moeder

Gestandaardiseerde namen (voornaam en patroniem):
Dopeling : JETSKE HAITSES

Individual Notes

Note for:   Simon Klazes Gorter,   16 MAR 1778 -          Index

Occupation:   
     Place:   doopsgez.predikant


Individual Notes

Note for:   Sjoerd Simons Gorter,   22 JUL 1808 -          Index

Occupation:   
     Place:   Leraar


Individual Notes

Note for:   Douwe Simons Gorter,   2 AUG 1811 - 27 AUG 1876         Index

Occupation:   
     Place:   doopsgez.predikant

Individual Note:   Doopsgende Leraar Douwe Gorter, geboren Hindelopen. In mei 1854 ging zij met dit gezin van Warns naar Balk met attestatie van de Doopsgezinde Gemeente van Warns waar zij dat zelfde jaar gedoopt was

Douwe Simons Gorter werd omstreeks 1852 naar Balk beroepen. Hij was getrouwd met Trijntje Koopmans en had zes konderen: Simon, Aafje, Tiete, Klaas en gerbrand. De komst van de leraar Gorter naar Balk viel samen met het einde van de Gemeente van de fijne Mennisten(ca.1550-1854; Doopsgezinde die zich Oude, Tere of bekommerde friezen noemden). behalve op leerstelling gebied onderscheidden zij zich door het onderhouden van de voetwassing en andere gebruiken en door hun uiterst sobere, ouderwetse kleding, huisinrichting e.d. de meeste hunner zijn geëmigreerd naar de Verenigde Staten, omdat hun zonen geen vrijstelling van militaire dienst werd verleend(WP.7e druk; zie balk)

De familie Gorter woonde te Balk in het huis nummer 122 (omgenummerd 171) In 1912 werd in Jugenstill een nieuwe doopsgezinde pastorie gebouwd; huidig adres meerweg 8

De dichter herman Gorter was een kleinzoon van de dominee. De luts in Balk is het door linden omzoomde grachtje, dat hij, logerend bij zijn grootvader, bezongen heeft in zijn "Mei" verschenen in 1889. Er staat een beeldje van hem in de Luts.


Individual Notes

Note for:   Herman Simons Gorter,   26 NOV 1864 - 15 SEP 1927         Index

Individual Note:   GORTER, Herman

(roepnaam: Pans), socialistisch dichter en propagandist, is geboren te Wormerveer op 26 november 1864 en overleden te Brussel op 15 september 1927. Hij was de zoon van Simon Gorter, doopsgezind predikant en letterkundige, en Johanna Catharina Lugt, pensionhoudster. Op 17 juli 1890 trad hij in het huwelijk met Louise Catherine Cnoop Koopmans. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Gorter stamde van vaderskant uit een geslacht van doopsgezinde predikanten. Zijn vader was naast zijn werk als dominee actief als literator en schreef tussen 1865 en 1870 essays, reisverhalen en literaire kritieken voor De Gids. Vlak voor zijn dood in 1871 was hij bovendien ruim een jaar hoofdredacteur van de kort daarvoor opgerichte Amsterdamse krant Het Nieuws van den Dag. Gorter was zes toen hij zijn vader verloor en kan van hem nauwelijks een andere indruk hebben gehad dan van ziekte en zorgen. Maar de kennisname van de gebundelde Letterkundige Studiën (1871) van zijn vader was mogelijk een belangrijke stimulans voor zijn dichterschap. In een artikel 'Over beeldspraak' had Simon Gorter zich een opvallend modern literatuurcriticus betoond, die afkerig was van retoriek en gespitst op oorspronkelijkheid en zuiverheid van stijl. F. van Eeden noemde hem 'teder en romantisch, maar ook stug en onbuigzaam'. Gorters moeder, afkomstig uit een Amsterdams geslacht van doopsgezinde kooplui, bracht haar kinderen groot met een kleine uitkering en haar verdiensten als pensionhoudster. Gorter studeerde klassieke talen in Amsterdam. Hij raakte spoedig bekend met de dichters uit de kring van de Tachtigers. In hetzelfde jaar waarin Gorter de doctorstitel behaalde verscheen zijn Mei. Een gedicht (Amsterdam 1889), een naturalistisch-impressionistisch maar ook filosofisch-mystiek dichtwerk, dat, geïnspireerd vanuit de neo-romantiek en het symbolisme, overstroomt van de verrukking over de natuur. Het maakte Gorter in één klap tot een van de meest geroemde dichters van zijn generatie. Het weergeven van natuurimpressies en eigen gewaarwordingen voerde Gorter door middel van een zeer individueel taalgebruik tot het uiterste door in de bundel Verzen (Amsterdam 1890). Na deze bundel raakte hij in een groot geestelijk vacuüm, waarin elke inspiratie hem ontbrak. Zijn onzekerheid werd verergerd door de manier waarop hij in zijn levensonderhoud voorzag. Nadat hij in 1890 getrouwd was met de Haarlemse patriciërsdochter Wies Cnoop Koopmans werd hij leraar klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium in Amersfoort. Door zijn sensibele houding bleek hij ongeschikt voor het leraarschap. Hij ergerde zich voortdurend aan het gedrag van zijn leerlingen en zijn collega's. In deze crisisperiode was het vooral zijn moeder die er met lange, bemoedigende brieven in slaagde zijn leven in rustiger banen te leiden. Gorter besloot zich voortaan aan zijn sociale omgeving uitsluitend te tonen als de sterke, de gezonde en van zichzelf verzekerde. Bovendien ging hij op zoek naar een vaste levensovertuiging. Dat bracht een breuk met de Tachtigers. Deze geestelijke crisis was niet alleen de neerslag van een persoonlijke ontwikkeling, maar ook een deel van de vernieuwing die de culturele voorhoede in Nederland aan het begin van de jaren negentig doormaakte. Gorter vervulde in dit vernieuwingsproces een voortrekkersrol. In zijn sensitieve Verzen werd deze vernieuwing al aangekondigd. In navolging van L. van Deyssel zocht hij in het sensitivisme de poëtische weergave van extatische en mystieke ervaringen. Met die opvatting was de stap gezet naar het symbolisme. Kort na 1890 maakten diverse Tachtigers deze overstap. Ze hadden veel belangstelling voor filosofie, esoterische wetenschappen en allerlei vormen van mystiek. Zij zagen de filosofie van B. de Spinoza als voorbeeld voor het zuivere denken tegenover de overmacht aan indrukken en aandoeningen van de voorgaande periode. Ongeveer vier jaar lang was Gorter ervan overtuigd dat hij in de leer van Spinoza de absolute waarheid over het wezen der wereld kon vinden. In 1893 nam hij ontslag als leraar en verhuisde hij naar Bussum. Daar wijdde hij zich enkele jaren volledig aan de literatuur en de filosofie. In 1895 verscheen van zijn hand een vertaling van Spinoza's Ethica (Den Haag 1895). Ook in 'Spinozistische gedichten' (1892-1896) blijkt dat hij niet alleen verlangde naar ethische richtlijnen, maar naar verrukking en verheerlijking, naar mystieke hallucinatie in dienstbaarheid aan het absolute. In de volgende jaren transformeerden de symbolistische kunstopvattingen in Nederland zich geleidelijk in de richting van een cultureel gemeenschapsbesef. Hieruit groeide het ideaal van de 'monumentale kunst' of 'gemeenschapskunst'. Een samengaan van mystiek en maatschappelijke hervormingswil was kenmerkend voor deze kunstopvattingen. Wanneer alle takken van kunst zich gezamenlijk zouden inspannen voor een 'algemene Idee', dan zou er opnieuw een omvattende stijl als de gotiek of de barok ontstaan, die de hele samenleving op een hoger plan zou kunnen brengen. Vanuit een radicaal individualisme had zich aldus halverwege de jaren negentig een ommekeer voltrokken naar extreme maatschappelijke aspiraties.

Vanaf omstreeks 1895 raakten de moderne kunstenaars en intellectuelen in de ban van uiteenlopende sociale filosofieën. Als belangrijkste inspiratiebronnen dienden zich aan: een romantisch katholicisme, de theorieën over kunst en samenleving van Richard Wagner, het Engels utopisch socialisme van John Ruskin en William Morris en - tegen de eeuwwisseling - het Duitse socialisme van Karl Kautsky en Franz Mehring. Gorter koos voor het orthodoxe marxisme, dat naar Nederland overwaaide vanuit de Duitse arbeidersbeweging. Hij werd daartoe aangezet door zijn aangetrouwde neef Franc van der Goes, die in de jaren negentig in Nederland een van de weinige kenners van het marxisme was. Vooral Marx' revolutie-theorie was voor Gorter een openbaring. Hierin vond hij een grotere zekerheid over zichzelf, de natuur en de mensheid dan in de leerstellingen van Spinoza. Hij raakte gefascineerd door de via Kautsky gepopulariseerde voorspelling, dat in de nabije toekomst door mensenhanden een paradijselijk geluk op aarde gebracht kon worden. Na zijn crisis van 1890 heeft Gorter de eigenschappen van zichzelf die hem als weekheid of tederheid voorkwamen, bewust verdrongen. Hij koos een harde levenslijn. Hij wilde heldhaftig en strijdvaardig zijn, zich manmoedig wijden aan een hoogstaand doel. In een socialistische partij kon deze levenshouding, meende hij, tot haar recht komen. Hier lag voor hem als intellectueel en dichter de mogelijkheid om zich volledig te ontplooien, te schitteren zelfs en om zich tegelijkertijd opgenomen te voelen in een grote, vitale gemeenschap. In 1897 werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en een jaar later redacteur van De Nieuwe Tijd, het door Van der Goes opgerichte wetenschappelijke maandschrift van de Nederlandse sociaal-democratie. Sindsdien stond hij als gepassioneerde partijganger midden in de arbeidersbeweging. Veruit het grootste deel van zijn tijd besteedde hij eraan. Het sprak destijds vanzelf dat hij dit werk onbezoldigd deed. Dat kon hij zich ook veroorloven, want, hoewel hij na zijn ontslagneming slechts een schamele boterham verdiende met het geven van bijlessen aan gymnasiasten bij hem thuis, was begin 1895 de rijke vader van zijn vrouw overleden. Het echtpaar Gorter kon voortaan rondkomen van de opbrengsten van diens erfenis. Een belangrijk deel van dit kapitaaltje werd bovendien geïnvesteerd in de sociaal-democratie. Het maandblad De Nieuwe Tijd heeft tijdens de eerste jaren van zijn bestaan vooral geprofiteerd van de geldelijke steun van de Gorters. Het echtpaar Gorter, dat tot hun grote verdriet levenslang kinderloos is gebleven, bleef overigens vrij sober leven in hun eenvoudig, door de architect H.P. Berlage gebouwd huisje in Bussum, waar zij in 1893 waren ingetrokken. Roken was in hun huishouden taboe en alcohol vrijwel uitgesloten, terwijl hun maaltijden overwegend vegetarisch waren.

Gorter was zelf geen diepgravend of oorspronkelijk theoreticus. Bij het formuleren van zijn wereldbeschouwing heeft hij zich zijn leven lang gericht naar leermeesters met wie hij geregeld persoonlijk contact had. Tot halverwege de jaren negentig waren dat Willem Kloos, Albert Verwey en Lodewijk van Deyssel. Als socialist, later communist, was hij de leerling van Karl Kautsky en, vanaf omstreeks 1910, Anton Pannekoek. In de arbeidersbeweging profileerde Gorter zich vooral als propagandist en agitator. Hij was een vaardig spreker op partijbijeenkomsten, een veel gelezen pamflettist en een ijverig journalist van zijn partijkrant. Veel gelezen en in bijna alle Europese landen vertaald werd zijn brochure Het historisch materialisme. Voor arbeiders verklaard (Amsterdam 1908). Tegenover zijn publiek presenteerde hij zich als een intellectueel die afkomstig was uit de gezeten burgerij. Op de arbeiders in zijn partij kwam hij eerder over als deftig onderwijzer dan als 'kameraad'. Hij ging steeds keurig gekleed - stijve boord, lorgnetje, strohoed - en onderhield elitaire liefhebberijen, zoals tennis, cricket, bergsport en zeilen, die bij zijn 'proletarische' partijgenoten ergernis wekten. Gorter opereerde in de politiek bovenal als rechtlijnig idealist. Scholingsarbeid en agitatie waren hem meer op het lijf geschreven dan het dragen van bestuurlijke verantwoordelijkheden of het functioneren in overlegstructuren. De drang om zich vol overgave te wijden aan de zaak van de socialistische toekomstmaatschappij leidde ertoe dat hij zich in politieke en theoretische kwesties meestal steil en hardnekkig opstelde. Voordat hij een beslissing over strijdvragen nam, was hij altijd wel bereid naar de argumenten van anderen te luisteren. Maar stond zijn besluit eenmaal vast, dan kon niets of niemand hem daarvan afbrengen. Dan was hij bereid voor zijn standpunt het scherpste conflict, zelfs een volledige breuk met zijn partijgenoten te riskeren. Als dogmatische marxist kwam hij keer op keer in conflict met de leiding van de partij. Van 1901 tot 1906 trad hij op als de aanvoerder van de Nieuwe Tijd-groep. Bij de linkse aanvallen op de partijleiding beet hij vaak de spits af en op de jaarcongressen was hij meestal degene die het standpunt van de oppositionele minderheid verwoordde. Zijn belangrijkste tegenspeler was P.J. Troelstra. Voor het front van de congresafgevaardigden stonden zij beiden, de gedreven propagandist en de talentvolle parlementariër, herhaaldelijk als twee kemphanen tegenover elkaar en scholden zij in zeer vijandige, soms persoonlijk beledigende termen elkaar de huid vol. In 1908 sloot Gorter zich aan bij de groep van linkse partij-opposanten die zich had verzameld rond het marxistische weekblad De Tribune. Kort na het partijcongres van Deventer in 1909 verliet hij samen met deze groep de SDAP. Hij was een kleine twee jaar lang actief in het bestuur van de afgesplitste, links-socialistische partij, de Sociaal-Democratische Partij (SDP), die na de Russische revolutie haar naam zou wijzigen in Communistische Partij in Nederland (CPN). Vanaf eind 1910 trok hij zich gedurende een aantal jaren terug uit het partijleven om zich helemaal te wijden aan de poëzie.

Als dichter van het socialisme had Gorter een pretentieus doel voor ogen. Hij hoopte de grondslagen te leggen voor een heel nieuwe kunstvorm, de socialistische poëzie, en daarmee de Nederlandse literatuur tot ongekende hoogten te doen stijgen. De neerslag van zijn poëtische inspanningen tijdens zijn SDAP-tijd vindt men in de bundel Verzen (Amsterdam 1903) en Een klein heldendicht (Amsterdam 1906). Zijn dichterschap is steeds gedragen door een overwegend lyrische kracht, zoals in zijn geniale eersteling 'Mei', maar door zijn ingespannen zoektocht naar waarheid en zekerheid werd zijn poëzie vaak futloos en clichématig. Vooral met het dichtepos Pan (Amsterdam 1912, vermeerderde druk Amsterdam 1916), het grootste project van zijn leven, heeft hij boven zijn macht gegrepen. Gorter schilderde hierin de eenwording van natuur en mensheid, die tot stand zou komen nadat de maatschappij de volgende, uitvoerig beschreven stadia zou hebben doorlopen: het ontwaken der arbeidersklasse, de oorlog, de revolutie en de bevrijding van het proletariaat. Toch bevat Gorters latere dichtwerk veel magistrale passages. Maar opvallend genoeg waren dat juist die gedeelten waar de dichter zich, als vanouds, heeft laten inspireren door zijn 'zinsverrukking': de passages waarin hij de maatschappij verbeeldde in natuurmotieven of waarin hij voor de toekomstige mensheid de gestalte koos van een ideale geliefde. Zelfs in de meest zwaarwichtige, doctrinair geladen epiek breken onverwachts fijnzinnige lyrische passages door. Het is dan, alsof het kind in de dichter even losbreekt en zich laat horen met de zingende stem van de 'zoete kleine Mei'. Toen Gorter 47 jaar oud was, belandde hij opnieuw in een zware psychische crisis. In het voorjaar van 1911 had hij zich teruggetrokken in Bergen aan Zee om zich aan de poëzie te wijden. Hij leefde daar in een soort extase. Niet alleen werkte hij onder hoogspanning, ook forceerde hij zichzelf tot onmatig zware sportieve prestaties, bijvoorbeeld door zich ver en lang in zee te wagen. Terwijl hij, in juli 1911, de laatste regels schreef van de eerste versie van het epos 'Pan', werd hij getroffen door een lichte hartaanval. Na maanden rust herstelde hij redelijk, maar sindsdien was hij, tot aan zijn dood, regelmatig depressief en lichamelijk ziek. Hij leed aan hartkloppingen, ademnood en flinke keelinfecties. Het meest van al kwelde hem de 'lichen', een huidziekte die hem zware slaapstoornissen bezorgde. Het is mogelijk dat zijn nervositeit in de hand werd gewerkt, doordat hij vanaf 1911 een gecompliceerd liefdesleven leidde. Naast zijn vrouw had hij twee vaste vriendinnen: Ada Prins en Jenne Clinge Doorenbos. Toen zijn vrouw halverwege de Eerste Wereldoorlog overleed, handhaafde hij beide liefdesrelaties. Daarbij deed zich een pijnlijke kwestie voor, die weinig strookte met zijn eigen, luidruchtig uitgedragen principes inzake eerlijkheid. Tegenover Prins verzweeg hij voor de rest van zijn leven dat hij een relatie had met Clinge Doorenbos. Pas op Gorters begrafenis zou dit amoureuze dubbelleven aan het licht komen.

Geïnspireerd door de Russische revolutie werd Gorter in 1917 opnieuw politiek actief. Tegen het einde van de wereldoorlog verbleef hij een jaar lang in Zwitserland, waar hij in contact kwam met een groep uitgeweken Russische revolutionairen van de bolsjewistische richting. Zijn brochure De Wereldrevolutie (Amsterdam 1918) bevatte kritiek op de koers van de leiding van de SDP in Nederland. Net als bij de leiders van de SDAP vroeger meende Gorter opnieuw in de top van zijn partij te veel opportunisme te ontwaren. Zijn aanval richtte zich tegen het driemanschap David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn en Jan Ceton, die gedurende de oorlogsjaren aanhoudend hun voorkeur hadden getoond voor een eindoverwinning van de Entente. Op basis van het marxisme mocht men geen voorkeur hebben voor een der strijdende mogendheden. Men moest de ondergang wensen van beide belligerente partijen. Ter verdediging van dit internationalistische standpunt lanceerde Gorter in 1918 vanuit Zwitserland in een serie Tribune-artikelen een genadeloze aanval op de partijleiding. Hierop volgde onvermijdelijk zijn breuk met de Tribunistische partijorganisatie. Zijn radicalisme vervreemdde hem ook van V.I. Lenin en de Russische communisten. Op diens Der Radikalismus. Eine Kinderkrankheit des Kommunismus (1920) antwoordde hij met Offener Brief an den Genossen Lenin (Berlijn 1920). Tegenover Lenins beleid dat gericht was op strakke partijdiscipline en op een monopoliepositie van de communistische partij in de maatschappelijke en staatkundige verhoudingen van Sovjet-Rusland, verdedigde Gorter de principes van 'basisdemocratie'. Hij bepleitte het behoud van de bestuurlijke machtspositie van de in 1917 gevormde arbeiders- en soldatenraden. Gorter klampte zich vast aan het motto 'alle macht aan de raden' en verzette zich voortaan principieel tegen deelname aan verkiezingen en vakbondswerk. Binnen de communistische beweging in Duitsland droeg zijn agitatie in belangrijke mate bij tot de afsplitsing van een zelfstandige, linkscommunistische of 'radencommunistische' partijorganisatie, de Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands (KAPD). Bij haar oprichting in april 1920 telde de KAPD omstreeks 38.000 leden, meer dan de helft van het totale aantal communisten in Duitsland. Als uitgangspunt aanvaardde zij het denkbeeld dat de revolutionaire strijd moest worden voortgezet in de geest van het radenstelsel. In dit milieu voelde Gorter zich als een vis in het water. In 1921 en 1922 verbleef hij geregeld weken achter elkaar in Berlijn, waar hij zich intensief bemoeide met het beleid van de KAPD. Het radencommunisme propageerde hij in die periode via een groot aantal Duitstalige brochures en artikelen, die hij voorzag van zwaarwichtige titels, zoals Die Klassenkampf-Organisation des Proletariats (Berlijn 1921).

Gorters idealen werden steeds minder bereikbaar. In zijn postuum verschenen dichtwerk De Arbeidersraad (Bussum 1931) weerklonk alleen nog ijle toekomstmuziek: de melodie van het zuiverste, onfeilbare communisme. De laatste jaren van zijn leven waren getekend door ziekte en armoede. Bovendien vervreemdde hij van vrijwel al zijn vrienden, geestverwanten en partijgenoten. Zijn psychische instabiliteit werd daarbij steeds heviger. Bij tijden voelde hij zich oud en moe, op andere dagen jong en vol energie. Intimi zagen dat hij geregeld diep ongelukkig was, maar tegenover buitenstaanders presenteerde hij zichzelf steevast als de dappere strijder voor de goede zaak, een evenwichtige wijsheid uitstralend, zeker van zichzelf en van zijn visie. Gorter overleed in september 1927 aan een aanval van angina pectoris op de terugreis vanuit zijn geliefde Zwitserland in een hotel te Brussel. Met recht hebben Jan en Annie Romein hem, als hekkesluiter, een plek gegeven in hun Erflaters van onze beschaving (1938-1940). Zijn 'Mei' wordt immers algemeen beschouwd als het grootste meesterwerk van de Beweging van Tachtig. Ook Gorters sensitieve 'Verzen' uit 1890 nemen een centrale plaats in binnen de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde. Onder invloed van Van Deyssel evoceerde Gorter de natuur op een manier die volstrekt nieuw was voor de Nederlandse poëzie van zijn tijd. Met deze 'Verzen' heeft Gorter impliciet de hele ontwikkeling van de Nederlandse poëzie in de twintigste eeuw aangekondigd. In het Nederlandse taalgebied vormden zij de eerste vrije, soms rijmloze verzen, waarbij de gebruikelijke regels van spraakleer, vormleer en woordkeus vaak ernstig werden geschonden. Op een aantal achtereenvolgende dichtergeneraties heeft Gorters poëzie ingrijpende invloed uitgeoefend. Dat geldt allereerst voor de symbolistische dichters van rond de eeuwwisseling, als J.H. Leopold, Henriette Roland Holst en P.C. Boutens. Van de dichters in het interbellum springen H. Marsman en J.J. Slauerhoff in het oog als prominente Gorter-bewonderaars. De Vijftigers, onder wie Lucebert en P. Rodenko, erkennen de 'Verzen' van 1890 met nadruk als inspiratiebron voor hun avant-garde werk. Maar met zijn latere dichtwerk - zijn literaire Verzamelde werken (Bussum/Amsterdam 1948-1952) beslaan acht dikke delen - maakte Gorter veel minder indruk. Zijn spinozistische verzen uit de jaren negentig en zijn socialistische poëzie vanaf de eeuwwisseling werden weinig gekocht en gelezen en hebben nauwelijks invloed uitgeoefend op jongere dichters. Zijn betekenis voor het nageslacht lag voortaan elders: op het terrein van zijn optreden als socialist en later communist. Terwijl Gorter in Nederland geëerd wordt als dichter, geniet hij in het buitenland vooral vermaardheid als revolutionair, als propagandist van het marxisme. Zijn dichtwerk werd slechts bij uitzondering - in totaal tweemaal - vertaald. Zijn politieke geschriften zijn daarentegen in veel talen over de hele wereld verspreid. Vooral tijdens de marxistische 'revival' van de studentenbeweging in de Westerse landen vanaf 1968 tot halverwege de jaren zeventig werden Gorters politieke brochures geregeld herdrukt in binnen- en buitenland. Als politicus heeft Gorter weliswaar invloed kunnen uitoefenen, maar hij opereerde steeds vanuit kleinschalige organisaties. In de SDAP was hij een gewaardeerde persoonlijkheid tot omstreeks 1907. In die jaren was deze partij in de Nederlandse politiek echter nog nauwelijks een factor van belang. In de in 1909 afgesplitste SDP was Gorter tot halverwege de Eerste Wereldoorlog de 'eerste onder de partijgenoten'. Deze Tribunistische partij begon pas vanaf 1916 haar zeer geringe invloedssfeer uit te breiden. Vanaf zijn breuk met de Tribunisten tot aan zijn overlijden in 1927 was hij een vooraanstaande figuur binnen het radencommunisme, dat vooral aanhang had in Duitsland. Deze stroming zou na een kortstondige fase - in 1920 en 1921 - van enige bedrijvigheid en omvang wegzinken in machteloosheid en onbeduidendheid.


--------------------------------------------------------------------------------

ARCHIEF: Collectie H. Gorter in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

PUBLIKATIES: De interpretatione Aeschyli metaphorarum (Leiden 1890); De school der poëzie (Amsterdam 1897); W. Morris, John Ball en andere vertalingen (Amsterdam 1898; vertaling met H. Roland Holst); J. Dietzgen, Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid (Amsterdam 1903; vertaling); K. Marx, F. Engels, Het communistisch manifest (Amsterdam 1904; vertaling); De school der poëzie I-III (Amsterdam 1905); Sociaal-democratie en anarchisme (Amsterdam 1905); De grondslagen der sociaaldemokratie (Amsterdam 1906); K. Kautsky, Ethiek en materialistische geschiedbeschouwing (Rotterdam 1907; vertaling); Klassemoraal. Een antwoord aan Jhr. De Savornin Lohman en Mr. P.J. Troelstra, leden der Tweede Kamer (Amsterdam 1908); K. Kautsky, De weg naar de macht (Rotterdam 1909; vertaling); Sociaal-demokratie en revisionisme (Amsterdam 1909); K. Kautsky, De oorsprong van het christendom (Rotterdam 1912; vertaling); Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie (Amsterdam 1914); Verzen I en II (Amsterdam 1916; zelfkeur); Een verklaring van Gorter (z.pl. 1918); V.I. Lenin, Staat en revolutie (Amsterdam 1919; vertaling); Het opportunisme in de Nederlandse Communistische Partij (Amsterdam 1921); Toelichting tot het ontwerp-program der KAP in Nederland (Amsterdam 1921); De Algemeene Abeiders-Bond (Revolutionaire bedrijfsorganisaties) (Amsterdam 1921; vertaling); De Berlijnsche en de Essener Richting (z.pl. 1922); De Sowjetregeering en de Derde Internationale op sleeptouw der internationale bourgeoisie (Amsterdam 1922; vertaling); Die Kommunistische Arbeiter-Internationale (Berlijn 1922); Die Notwendigkeit der Wiedervereinigung der kommunistischen Arbeiter-Parteien Deutschlands (Berlijn 1923); Verzen I en II (Bussum 1928; bezorgd door J. Clinge Doorenbos); In memoriam. Bij den dood eener communiste (Bussum 1928); Liedjes aan de geest der muziek der nieuwe mensheid I-III (Bussum 1928); De arbeidersraad (Bussum 1928); Sonnetten (Bussum 1934); De groote dichters. Nagelaten studieën over de wereldliteratuur en haar maatschappelijke grondslagen (Amsterdam 1935); Herman Gorters kenteringssonnetten (Amsterdam 1946); Gedichten (Bussum 1946); De dag gaat open als een gouden roos (Den Haag 1956); Twintig gedichten in handschrift (Amsterdam 1964); Verzamelde lyriek tot 1905 (Amsterdam 1966); Verzen. De editie van 1890 (Amsterdam 1977); Liedjes (Amsterdam 1981); 'Briefkaarten en brieven van Herman Gorter en anderen aan G.A. Vader, Middenstraat te Weesp' in: BNA, nr. 12, april 1987, 45-47, nr. 14, augustus 1987, 49-68; een overzicht van Gorters artikelen in De Nieuwe Tijd in: Verzamelde werken III (Bussum 1949) 325-328; een overzicht van Gorters artikelen in De Tribune en andere periodieken in: H. de Liagre Böhl, Herman Gorter (Nijmegen 1973) 293-298.

LITERATUUR: W. van Ravesteyn, Herman Gorter, de dichter van Pan. Een heroisch en tragisch leven (Rotterdam 1928); W. van Ravesteyn, 'Een groot dichteres over een groot dichter' in: Critisch Bulletin, december 1933, 337-343; H. Roland Holst, Herman Gorter (Amsterdam 1933); J.C. Brandt Corstius, Herman Gorter. Een bijdrage tot de kennis van zijn leven en werk (Amsterdam 1934); T.J. Langeveld-Bakker, Herman Gorter's dichterlijke ontwikkeling in Mei, Verzen en eerste sonnetten (Groningen 1934); A.S. de Leeuw, 'Herman Gorter en zijn "groote dichters"' in: Politiek en Cultuur, 1936, 501-509, 581-588; J. de Kadt, Herman Gorter. Neen en ja (Amsterdam 1937); H. Marsman, Herman Gorter. Aanteekeningen bij zijn poëzie (Amsterdam 1937); J.W. Kerssemakers, 'Gorters Mei: hoogte, diepte en bezinning in het 80er dichterschap' in: Roeping, 19 (1940), nrs. 1-2, 28-41, 102-113; G. Stuiveling, 'Herman Gorter, de onbekende' in: G. Stuiveling, Rekenschap (Amsterdam 1941) 228-256; M. ter Braak, 'Gorter en Marsman' in: M. ter Braak, In gesprek met de onzen (Rotterdam 1946) 14-20; J.C. Brandt Corstius, 'Duel om het dichterschap. Herman Gorter en de school van Albert Verweij' in: De Vrije Bladen, 8 (1946), nr. 3, 5-45; M. ter Braak, 'Dogma en Muziek. Herman Gorter: De groote dichters' in: M. ter Braak, In gesprek met de vorigen (Rotterdam 1946) 55-63; R. Antonissen, Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst (Utrecht 1946); A. Mussche, Herman Gorter, de weinig bekende (Antwerpen 1946); S. Vestdijk, 'Gorter's verstening' in: S. Vestdijk, Muiterij tegen het etmaal (Den Haag 1947) 11-15; W.J.M.A. Asselbergs, 'Herman Gorter' in: W.J.M.A. Asselbergs, Het tijdperk der vernieuwing van de Noordnederlandse letterkunde (Den Bosch 1951) 147-156; A. Roland Holst, 'Hij was een man aan wonderen gewoon' in: Het Parool, 12.9.1952; A.R. Kleyn, 'Kwartierstaat van Herman Gorter' in: Gens Nostra. Maandblad der Nederlandse genealogische vereniging, 1961, nr. 15, 126-127; D.M. Bakker, 'Over Gorters Verzen van 1890' in: De Nieuwe Taalgids, 57 (1964), nr. 4, 194-200; E. Endt (red.), Herman Gorter. Documentatie 1864-1897 (Amsterdam 1964; tweede vermeerderde druk Amsterdam 1986); G. Stuiveling, 'Inleiding' in: H. Gorter, Twintig gedichten in handschrift (Amsterdam 1964); J. Clinge Doorenbos, Wisselend getij. Dichterlijke en politieke activiteit in Herman Gorters leven (Amsterdam 1964); I. Cornelissen, 'Lenin vroeg: hoe gaat het met Gorter' in: Vrij Nederland, 28.11.1964; J.C. Brandt Corstius, 'Herman Gorter, de dichter (1864-1964)' in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1963-1964 (Leiden 1964) 14-31; G. Kazemier, Verwey en Gorter. Persephone en Mei (Groningen 1965); G. Borgers e.a. (red.), Herman Gorter (Den Haag 1966; Schrijvers Prentenboek XII); R.A. Cornets de Groot, 'Balders zelf-kick' in: Maatstaf, 14 (1966), nr. 9, 726-737; A. van Duinkerken, Gorter, Marsman, Ter Braak (Utrecht 1967); E. Reeser, 'Een onbekend dissertatiefragment van Herman Gorter' in: Lessen in lezen 1. Essays uit 12 jaargangen Maatstaf (Den Haag 1967); P.N. van Eyck, Verzameld Werk VII (Amsterdam 1967) 107; K. Meeuwesse, 'De structuur van Gorters Mei' in: Dietsche warande en Belfort, 113 (1968) 90-106, 194-210; J. Romein, A. Romein, 'Herman Gorter: dichter van Holland en het socialisme' in: J. Romein, A. Romein, Erflaters van onze beschaving (Amsterdam 19719) 865-885; G.A. van Es, 'De compositie van Gorters Mei' in: G. Kazemier, Literatuurbeschouwing in meervoud (Leiden 1973) 339-360; H. de Liagre Böhl, Herman Gorter. Zijn politieke activiteiten van 1909 tot 1920 in de opkomende communistische beweging in Nederland (Nijmegen 1973); H. Huyghe, Mei van Herman Gorter: gewikt en gewogen ... Een vergelijkend onderzoek naar de interpretaties (Leuven 1974); J. Groot, 'Het ideaal van Herman Gorter' in: Hollands Diep, 24.4.1976, 12-17; Herman Gorter. Een revolutionair socialist in politiek Bussum (Bussum 1977); Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst in hun tijd (Den Haag 1977); G. Stuiveling (red.), Acht over Gorter. Een reeks beschouwingen over poëzie en politiek (Amsterdam 1978); J.D.F. van Halsema, 'Gorter na Mei' in: De Revisor, 5 (1978), nr. 3, 37-39, nr. 4, 54-63; J. Groot, Nieuwe muziek, een Herman Gorter Boek (Amsterdam 1980); J.D.F. van Halsema, M.H. Schenkeveld, 'Het proëmium van Mei II' in: Voortgang, 1 (1980), 57-62; J.C. Brandt Corstius, De dichter Herman Gorter. Drie opstellen (Den Haag 1981); A. Zevenhuizen, 'Gorters lied' in: Spiegel der Letteren, 23 (1981), 241-268; J.D.F. van Halsema, M.H. Schenkeveld, 'Nieuwe zinnen. Over Gorter's Mei, Derde Zang' in: Voortgang, 3 (1982), 83-97; M.J.G. de Jong, Honderd jaar later. Essays over schrijvers en geschriften uit de Beweging van Tachtig (Baarn 1985); W.A. Ornée, 'Gorter, Herman' in: BWN II, 184-187; E. Endt, Mooi gebruld, leeuw (Amsterdam 1986); 'Stuiveling over Gorter als dichter en politicus' (interview), VARA-radio, 26.5. en 16.6.1986; E. Endt, 'Inleiding' in: H. Gorter, Verzen. De editie van 1890 (Amsterdam 19873) 129-167; M.G. Kemperink, '"Muziek lokt van een ziel muziek weer los". Het motief van het dichterschap in Gorters Mei' in: De Gids, 152 (1989), nr. 5, 361-369; M. Buschman e.a., Herman Gorter. Dichter en socialist (Zaanstad 1989); E. Endt, 'Twee eenzamen. Herman Gorter en zijn Baldergodheid' in: De Gids, 152 (1989), nr. 5, 336-345; E. Endt, 'De mei van Gorter, het ontstaan van een literair monument' in: Vrij Nederland, 18. 3.1989, 20-29; L. Frerichs, 'Lucifer en de liefde. Over een jeugdgedicht van Herman Gorter' in: De Gids, 152 (1989), nr. 5, 351-360; E. Endt, 'De ogenblikken van verstandhouding. Een gedicht van Gorter en een dagboeknotitie over hem' in: W.F.G. Breekveldt e.a., De achtervolging voortgezet. Opstellen aangeboden aan Margaretha H. Schenkeveld (Amsterdam 1989) 172-179; M. Buschman, 'Het kopje koffie van Gorter' in: Uitgelezen Bo

Individual Notes

Note for:   Klaas Hendriks Beuckens,   22 AUG 1873 -          Index

Occupation:   
     Place:   fouragehandelaar te Sondel


Individual Notes

Note for:   Lipkje Beuckens,   15 FEB 1908 - 3 JUN 1983         Index

Occupation:   
     Place:   Lerares en schrijfster

Individual Note:   Ontving in 1979 de Gysbert Japicx Holkema prijs.
1979 (proza)
L. Post-Beuckens (ps. Ypk fan der Fear) (1908-1983) voor haar historische romans
adviescommissie: J. Boomsma, J. Knol en S. Sybrandy
uitgereikt door gedeputeerde J. Mulder
woord van waardering; T.J. Steenmeijer-Wielenga


Schreef ook onder pseudoniem Ella Wassenaar.
Kreeg 5 kninderen.
Zij ligt begraven op het kerkhof te Sondel.

Individual Notes

Note for:   Lyckele Hanzes Poepjes,   1874 - 1940         Index

Individual Note:   www.spanvis.nl poepjes te Lemmer

Individual Notes

Note for:   Cobi Schreijer,   25 APR 1922 - 1 DEC 2005         Index

Occupation:   
     Place:   Oermuziekmoeder,zangeres Novelty Ssisters,uitbater Folkclub De Waag te Haarlem

Individual Note:   1938 - 1961 Cobi Schreijer (Amsterdam, 25 april 1922) groeit op in een arbeidersgezin. Ze is de allereerste in haar familie die naar de ULO mag. Op zestienjarige leeftijd is ze lid van het close harmonytrio The Novelty Sisters. Als de Tweede Wereldoorlog voorbij is, treedt ze op voor de radio en gaat ze met het trio op tournee door Nederland en Indonesië. Na het uiteenvallen van The Novelty Sisters gaat zo solo verder met het vertolken van volksliedjes en oude ballades.

--------------------------------------------------------------------------------
Zie ook
Astrid Nijgh
   
Boudewijn de Groot
   
Elly & Rikkert
   
Lenny Kuhr
    1962 - 1969 Voor de groots opgezette Frans Halsmanifestatie in Haarlem wordt Schreijer in 1962 gevraagd om in de Waag liederen uit de tijd van de schilder te zingen.Vanaf mei 1963 gaat de Waag Taveerne officieel open met Cobi Schreijer als een van de vaste bespelers. De folkclub wordt internationaal vermaard. De zangeres organiseert er iedere vrijdag een open podium en weet beroemde folkzangers te strikken voor een optreden, onder wie Pete Seeger, Joan Baez en de Schotse folkzanger Alex Campbell. Paul Simon speelt er zelfs twee maal, eerst in december 1965 voor een handjevol publiek en een jaar later samen met Art Garfunkel. Ook Nederlands talent is er voor het eerst te zien, zoals Boudewijn de Groot, Elly en Rikkert Zuiderveld, Astrid Nijgh en Lenny Kuhr. Wegens teruglopende bezoekersaantallen en de daarmee gepaard gaande financiële problemen sluit de club in 1969.

--------------------------------------------------------------------------------
1970 - 1989 Begin jaren zeventig is Schreijer zeer actief in de vrouwenbeweging en zingt ze feministische strijdliederen. Sommige liederen bundelt ze in het 'vrouwen-liedboek' Sansevieria (Werkgroep Vrouwen-liedboek, 1977) en Sara, Je Rok Zakt Af (Feministische Uitgeverij Sara, 1980). Op het album Cobi Schreyer Zingt Malvina Reynolds (1981) vertolkt de zangeres liederen van de Amerikaanse activiste Malvina Reynolds (1900-1978). Het werk van Reynolds is eerder op plaat gezet door onder meer Pete Seeger, Danny Kaye, Harry Belafonte, Joan Baez, The Searchers en The Seekers. Op de plaat Plant Een Roos (1983) is gitariste Corrie van Binsbergen te horen op bas. De tekst van het nummer Er Is Een Land is geschreven door de beroemde feministe Joke Smit (1933-1981). In 1987 wordt Schreijer benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

--------------------------------------------------------------------------------
Zie ook
Ernst Jansz
   
Hans Hollestelle
   
Jakob Klaasse
    1997 - 1998 In 1997 verruilt Schreijer thuisstad Haarlem voor het Rosa Spier Huis te Laren. Ondanks haar teruglopende gezondheid maakt ze een jaar later op initiatief van Boudewijn de Groot haar laatste cd Klein Ritueel. Ook Ernst Jansz, Hans Hollestelle en Jakob Klaasse leveren bijdragen.

--------------------------------------------------------------------------------
2003 Auteur Angeline van den Berg schrijft de biografie Door De Zee Van De Tijd (uitgeverij Conserve) over Cobi Schreijer.

--------------------------------------------------------------------------------
2005 De zangeres overlijdt op 1 december 2005.




Cobi Schreijer (Amsterdam, 25 april 1922 - Laren, 1 december 2005) leidde in de jaren zestig in Haarlem de troubadours- en folkclub De Waag. Boudewijn de Groot, Ernst Jansz, Lenny Kuhr, Astrid Nijgh en Elly en Rikkert Zuiderveld begonnen daar hun loopbaan. Ook Joan Baez en een jeugdige Simon & Garfunkel traden er op.

In verband met een grote Frans Halsmanifestatie in Haarlem werd Cobi gevraagd om in de Waag liederen uit de tijd van Hals te zingen, in een zeventiende-eeuws taveerne-decor. Ze voelde zich meteen thuis in het pand op de hoek van de Damstraat en het Spaarne. Op 31 mei 1963 ging de Waag Taveerne officieel open met als vaste bespelers Cobi en naast haar Ronnie Potsdammer, een Amsterdamse zanger die zich vooral had toegelegd op vertaalde chansons. In 1964 haalde ze de Amerikaanse protestzanger Pete Seeger naar de Waag en Paul Simon zong er in december 1965, op een Sinterklaas-koopavond, voor zeventien mensen.

Op zestienjarige leeftijd was ze lid van het close-harmonytrio The Novelty Sisters. Later ging ze volksliedjes en oude ballades vertolken. Begin jaren zeventig werd Cobi Schreijer zeer actief in de vrouwenbeweging en begon ze feministische strijdliederen te zingen.

In 1982 zette Schreijer onder meer het gedicht Er is een land waar vrouwen willen wonen van Joke Smit, het credo van de Nederlandse feministen, op de plaat. Ook werkte ze nauw samen met Jaap van de Merwe, die enkele buitenlandse politieke liederen voor haar vertaalde. In 1975, het Jaar van de Vrouw, maakte zij een tournee met Robert Long. Voor emanciperende dames stelde zij in 1977 het vrouwenliedboek Sansevieria samen, terwijl in 1980 het kloeke Sara, je rok zakt af verscheen.

In 1998 maakte ze haar laatste cd, Klein Ritueel, op initiatief van Boudewijn de Groot. Schreijer overleed in 2005 op 83-jarige leeftijd in het Rosa Spier Huis in Laren.

Angeline van den Berg wijdde in 2003 genoemde biografie aan haar.

Boudewijn de Groot in 1965 op de plaats waar het allemaal begon: de Waag in Haarlem. Foto: Spaarnestad Fotoarchief


--------------------------------------------------------------------------------

Cobi Schreijer* weet het nog precies: hoe ze destijds - het moet 1964 geweest zijn - Boudewijn de Groot in het televisie­programma Nieuwe Oogst zijn liedje Elegie Pre­natale had zien zingen. En hoe ze de volgende dag bij haar troubadourtaveerne de Waag in Haarlem aankwam en daar twee jongens voor de deur stonden te wachten. “Jij was gisteren op TV ” zei ik tegen de één. Hij informeerde heel schuchter of hij een keer bij mij mocht komen optreden. Dat kon natuurlijk. Ik had die tijd iedere vrijdag open podium.

,,Maar wie schrijft eigenlijk die teksten van jou?'' vroeg ik hem. Hij wees op de jongen naast hem. Dat was Lennaert Nijgh. Die kende ik wel. Ik had hem vanaf begin 1962 al heel vaak in de Waag zien zitten. In het publiek. Altijd heel stil in een hoekje. Kort daarna kwam Boudewijn bijna iedere week wel een paar nummers doen. Ieder nieuw liedje dat hij had, werd in de Waag uitgeprobeerd.''

Boudewijn zelf kan zich die eerste ontmoeting met Cobi Schreijer een kleine veertig jaar later niet meer zo precies voor de geest halen. Maar zo moet het wel ongeveer geweest zijn, meent hij. ,,Het duurde nog wel een week of langer, voordat ik daadwerkelijk in De Waag zong. Mijn allereerste optreden voor publiek naar aanleiding van die Nieuwe Oogst-uitzending was voor de Hervormde Jeugd in de kerk de Kolenkit, in Amsterdam. Dat weet ik heel zeker.''

Een jaar later volgde de landelijke doorbraak met de single Een Meisje van 16. Op het fotohoesje zie je De Groot met zijn gitaar tegen het raam van de Waag geleund, waar hij daarvoor talloze keren in betrekkelijke anonimiteit had opgetreden. Plots veranderde dat. Schreijer: ,,De volgende keer dat Boudewijn bij mij speelde, stond er opeens een rij tot voorbij Teylers Museum. Allemaal van die jochies van veertien met spuuglokken die de hele avond één colaatje dronken. Boudewijn zei nog: 'Cobi, ik vind je publiek in De Waag wel achteruit gegaan.' En ik antwoordde: 'Boudewijn, dat is niet mijn publiek, dat is jouw publiek'. Boudewijn zei: 'Ik zing die hit niet, vanavond'. En hij zong Meisjes van 16 ook niet, terwijl die jochies er maar om bleven roepen.''

Het Goede Uur
Dat was de tijd die de Waag legendarisch maakte als broedplaats van volksmuziek, folk en van wat later - véél later - singer/songwriters zou gaan heten. ,,Daarvóór had je helemaal niks in Haarlem'', zegt Cobi Schreijer* met grote stelligheid. ,,Ik ben ermee begonnen.'' En niemand spreekt haar tegen. ,,Ze wisten in Nederland nog niet eens wat dat was, 'folk'.'' Zelf trad Schreijer in de jaren vijftig al her en der op met Nederlandse volksliedjes. ,,'Heer Halewijn' en zo. Die vond ik heel mooi.'' Een enkele keer zong ze ook in Het Goede Uur, het kaas-en-wijn etablissement aan het Oude Kerksplein dat nog altijd bestaat en waar destijds vooral ernstig naar 'klassieke grammophoonmuziek' werd geluisterd. Maar een serieus podium voor volksmuziek en folk bestond niet.

Dat veranderde toen er in 1962 een grote Frans Halsmanifestatie in Haarlem kwam. Cobi werd gevraagd om in de Waag liederen uit de tijd van Hals te zingen, in een zeventiende eeuws taveerne-decor. Ze voelde zich meteen thuis in het pand op de hoek van de Damstraat en het Spaarne. Dat smaakte naar méér. Plannen werden gesmeed en op 31 mei 1963 ging de Waag Taveerne officieel open met als vaste bespelers uiteraard Cobi en naast haar Ronnie Potsdammer, een Amsterdamse zanger die zich vooral had toegelegd op vertaalde chansons.



--------------------------------------------------------------------------------

De moeder van de Haarlemse folkscene, Cobi Schreijer, haalde in 1966 Paul Simon (rechts) en Art Garfunkel naar de Waag. Foto Spaarnestadarchief/Ron Bosboom


--------------------------------------------------------------------------------

Cobi haalde in maart 1964 de in Amerika al beroemde Pete Seeger naar de Waag ('daar was toen in Nederland geen mens in geïnteresseerd'); Joan Baez kwam; de Schotse folklegende Alex Campbell; Paul Simon zong er in december 1965, op een Sinterklaas-koopavond, voor zeventien mensen. ,,Een jaar later, toen hij al wereldberoemd was, is hij nog een keer met Art Garfunkel teruggeweest'', vertelt Cobi. ,,Toen hebben ze voor niets opgetreden; omdat ik als allereerste vertrouwen in hem had gehad.''

De reeks verhalen over internationale beroemdheden die Haarlem aandeden, lijkt onuitputtelijk. Cobi blikt ook graag terug op de Waag als een soort laboratorium. ,,Het was een proeftuin voor wat er komen zou. Ik weet nog dat ik er zelf al héél vroeg Mijn vlakke Land, de Brel-vertaling van Ernst van Altena zong. Maar ja, later koos hij toch een jonge meid om het op de plaat te zetten. Dat was Liesbeth List. En die zong dat nog vals ook.''

Toch leverde het bruisende Waagpodium in eerste instantie nauwelijks nieuwe Haarlemse songschrijvers-talenten op. Behalve Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot dan. ,,Ik kwam er al als bezoeker, voordat ik er zelf optrad,'' herinnert de laatste zich. ,,Maar het was eigenlijk meer de sfeer dan de programmering, die mij in die tijd aansprak. Pas later, toen ik professioneel ging zingen, werd ik via Lennaert met Dylan geconfronteerd. Concerten van mensen als Pete Seeger en Tom Paxton bezocht ik niet zo fanatiek. De meesten vond ik eerlijk gezegd een beetje zeikerig. Dat gold zelfs voor mijn eigen zingen; ik wilde het liefst zoals Dylan klinken, die was rauwer. Maar dat kon niet; dat was nu eenmaal niet mijn stem. Donovan zag ik trouwens ook wel zitten. Donovan en Dylan dat waren 'jongens', net als ik in die tijd.''

In 1966 presenteerde Boudewijn de Groot zijn album Voor de Overlevenden in de Waag. Naarmate hij beroemder werd, trad hij er echter minder vaak op. ,,Vanaf 1967 kreeg je de flower power. Ik begon ook te blowen en mij in andere kringen te bewegen. Ik kreeg steeds meer met die hippie-scene en minder met de folkbeweging.'' De Groot ging, Nijgh bleef en anderen kwamen, zoals Rikkert Zuiderveld, Ellie Nieman en Herman Erbé, die echter geen van allen echte Haarlemmers waren. Astrid de Backer, later Astrid Nijgh, was dat wel. Evenals de op dat moment nog piepjonge troubadour Paul Marselje die in de jaren zeventig de LP Spoor 3a maakte en vermaard werd als wekelijks verschijnende bard op de Spaarndamse Kunstmarkten.

Over de drempel
,,Ik moet 14 of 15 zijn geweest toen ik er voor het eerst als bezoeker kwam'', vertelt de in 1950 geboren Haarlemmer Paul Marselje. Een paar klasgenoten van mij speelden toen al zo nu en dan in de Waag. Zelf durfde ik dat podium nog niet op. Ik weet nog goed dat je daar destijds drie 'scene-tjes' had: de mensen die optraden, het vaste jonge publiek dat daar bijna als 'groupies' omheen hing en aan die eikenhouten, met kaarsvet volgedropen tafeltjes vooral elkaar in de gaten hield, en tenslotte het 'gewone' publiek. Uiteindelijk, tijdens een van de allerlaatste open podia van Cobi Schreijer - dat moet in 1969 geweest zijn - durfde ik ook iets te zingen. Echt een succes was dat niet. Maar Cobi kwam na afloop naar mij toe en zei: 'De volgende keer wéér, hè Iedereen moet over die drempel.' Die volgende keer kwam pas toen Cobi al weg was.''


--------------------------------------------------------------------------------

De Haarlemse troubadour Paul Marselje, hier in 1971 in het Theater aan de Rijn in Arnhem Foto: Spaarnestad Fotoarchief/ANP


--------------------------------------------------------------------------------

Het ging financieel niet meer, motiveert Schreijer haar stoppen met de folkclub in 1969. Ondanks voortdurend aankloppen bij de gemeente kwam ze niet in aanmerking voor subsidie. En de bezoekersaantallen waren ook zorgelijk. Rijen voor de deur, zoals bij Boudewijn de Groot in 1965, waren verleden tijd. En hoewel Haarlemmers tot op de dag van vandaag chauvinistisch over 'hun' folkclub in de Waag snoeven, wezen de harde cijfers - in de vorm van het adressenbestand van de Vrienden van de Waag - uit dat maar éénderde van de trouwe bezoekers uit de Spaarnestad afkomstig was.

Alternatieven
Serieuze concurrerende folkpodia waren er in de jaren zestig nog niet in Haarlem, benadrukt Marselje. Ook de regio kende nauwelijks alternatieven. Vanuit IJmuiden waren sinds 1963 Helen, John en Nico Schaap muzikaal actief als The Shepherds. In eerste instantie met religieus repertoire - 'Dank u, voor deze nieuwe morgen' - maar al snel zongen ze ook 'verpopte' folk en volksliedjes. Traditionals als Vier Weverkens naast songs van Dylan en Paul Simon. ,,We waren enorm populair, maar niet iedereen kon onze versie van die muziek waarderen,'' vertelt Helen Shepherd. ,,We hebben in de jaren zestig toch zeker een keer of zes in de Waag opgetreden. Maar ik wist dat Cobi Schreijer ons te weinig authentiek vond.'' Al snel kwam het trio in een ander circuit terecht: optredens voor militairen; de Sleeswijk Revues. Folk werd er steeds minder gezongen. En van een folkpodium in de IJmond was al helemaal geen sprake.

Begin 1971 werd de Waag als troubadourpodium nieuw leven ingeblazen door een vereniging, opgericht door twee Haarlemse folkliefhebbers: Wim Polak en publicist Frank Herzen. En met succes. De artiesten kwamen terug. Buitenlandse coryfeeën, maar ook Haarlemmers als Paul Marselje en de op dat moment nog volop puberende Maarten Eijsker.

Terwijl Herman Erbé - van wie in 1975 het album De Potsenmaker zou verschijnen - steeds meer het baken achter de bar van de Waag werd, besloot Polak in 1973 tot een nieuw avontuur: zijn eigen folkcafé De Teerling, op vijf minuten lopen in de Kleine Houtstraat. ,,Concurrentie was het niet, want ik programmeerde live-muziek op de donderdag en Herman deed dat in De Waag op zaterdag,'' vertelt Polak. ,,En als hij daar een topgroep als Planxty had staan, dan ging ik natuurlijk ook bij hem luisteren.'' Hij somt namen op van vermaarde folkies die bij hem speelden: John Renbourn, Paul Millns.

Haarlemmers waren er eigenlijk heel weinig bij. Ja, Piers Hayman, de Brit die hier was komen wonen en drie mooie folkrock-albums zou maken met gitarist John Kuiper uit Halfweg. En Maarten Eijsker. ,,De Teerling werd gezien als de nieuwe Waag'', herinnert Eijsker zich. ,,Ik weet nog dat Willem Polak altijd alle concerten op cassettebandjes opnam. Die werden op andere dagen dan weer in het café afgespeeld.''

Op zolder
Eind jaren zeventig is het opeens allemaal afgelopen. Cobi Schreijer* heeft in 1975 nog één poging ondernomen om de gouden tijden op de historische plek te doen herleven. Maar de jaren zestig blijken definitief passé en het initiatief is een kort leven beschoren. De Waag wordt een restaurant. ,,Rond '78 was het genre min of meer dood,'' weet ook Paul Marselje nog. ,,Nederlandstalig was uit. Folk was uit. En in plaats van drie keer per week kon ik nog maar drie keer per maand spelen.'' Kort daarna werd hij fulltime politicus en belandde de gitaar voor lange tijd op zolder.

Datzelfde jaar, 1978, deed Willem Polak de Teerling van de hand. Zijn opvolger bleef muziek programmeren, maar dat was vooral rock. Piers Hayman maakte in 1980 zijn derde album met John Kuiper en emigreerde vervolgens naar Nieuw Zeeland. En Maarten Eijsker dompelde zich helemaal onder in de snel opkomende Haarlemse rockscene.

Meer dan tien jaar lijken de folkies en troubadours vervolgens verdwenen uit Haarlem. In 1990 is het wéér Cobi Schreijer die een initiatief neemt. Nu in de Zanderzaal. Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh komen een keer en krijgen veel publiciteit, maar van een werkelijke opleving van het genre kun je niet spreken. Die komt pas een jaar of vijf later, als de termen Americana en singer-songwriter in de populaire muziek net zo'n actuele klank krijgen als 'folk' dertig jaar eerder. Café's als Studio aan de Grote Markt en De Roemer aan de Botermarkt beginnen weer met enige regelmaat Ieren en Amerikanen te boeken. En wat belangrijker is: ook Haarlemse musici worden erdoor aangestoken. Eijsker blaast het stof van z'n akoestische gitaren en zingt weer uit het oude folksongbook. Hij is ook prominent te horen op het in 1998 verschenen album van Te Loo & Comotives, de groep rond Haarlemmer Jeroen te Loo, die zich op de hoes nota bene bijna exact zo laat afbeelden als Boudewijn de Groot op diens comebackplaat Een nieuwe Herfst uit 1996.


--------------------------------------------------------------------------------

Kirsten vertegenwoordgt een nieuwe generatie songs schrijvende zangeressen. Foto: United Photos De Boer/Cynthia van Dijke


--------------------------------------------------------------------------------


Nieuwe generatie
Een nieuwe generatie songs schrijvende zangeressen staat op, van wie Kirsten en Bloem al snel door grote platenmaatschappijen in de armen gesloten en met zachte drang in de richting van het meer commerciële popcircuit worden geduwd. Maar dat is een kwestie van productiecosmetica. In 1965 zouden ze gewoon met hun akoestische gitaar op het Waagpodium hebben gestaan. terwijl Cobi Schreijer* hen van een afstand goedkeurend en bemoedigend had toegeknikt.

In diezelfde Waag wordt thans zelfs weer regelmatig folk gespeeld en gezongen, zij het héél informeel. Paul Marselje was er onlangs met zijn oude liedjes. En Maarten Eijsker kwam er nog niet zo lang geleden op een spontaan 'schuifdeurenfestivalletje' terecht. Ondertussen reist Boudewijn de Groot met zijn huidige superband van de ene naar de andere uitverkochte schouwburgzaal. Maar in de toegift, als hij helemaal in z'n eentje Verdronken Vlinder en Testament brengt en je doet je ogen dicht, dan voel je bijna hoe het zo'n veertig jaar geleden begonnen moet zijn. <<

   


--------------------------------------------------------------------------------

Voetnoot:
Cobi Schreijer overleed 30 november 2005. Ze woonde de laatste jaren in een zorgcentrum voor oudere artiesten `Het Rosa Spierhuis` in Laren. In Haarlem woonde ze langdurig in de Ans Lijnstraat. Gedurende de laatste periode daar organiseerde ze thuis allerlei concertjes in de huiskamer, met soms grote namen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. In die periode trad ze niet graag meer zelfstandig op. Ze vroeg Paul Marselje in 1995 een paar keer om samen op te treden, zodat als ze te moe werd, Paul het volledig kon overnemen.




Individual Notes

Note for:   Teunis Roelofs Poepjes,    -          Index

Individual Note:   gemeente Oldemarkt
jaar 1812
aktenummer 136
      
    Bovenstaande gegevens heeft u nodig wanneer u het originele dossier wilt inzien op de studiezaal van het Historisch Centrum Overijssel.
personen in deze akte
    
oude naam Roelofs
aangenomen naam Poepjen
voornaam Theunis
leeftijd onbekend
    

--------------------------------------------------------------------------------
   
    
oude naam Roelofs
aangenomen naam Poepjen
voornaam Aaltjen
leeftijd 4 jaar