
The
upper part of land between Texali en Harlingi was owned by the family of Holkema
Ontstaan van de Zuiderzee (IJsselmeer)
ZUIDERZEE, in een overoud Overijsselsch geschrift Suytvinde genaamd, golf van de Noordzee, tusschen de provinciën Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel en Friesland gelegen en, door de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland, benevens eenige zandbanken, van de Noordzee gescheiden, waarmede zij alleen gemeenschap heeft langs de tusschen de eilanden doorloopende zeegaten, als: de Helsdeur, tusschen den Helder en Texel, het Westvlielandergat, tusschen Texel en Vlieland, het Oostvlielander-gat tusschen Vlieland en terschelling, en het Amelander-Gat, tusschen Terschelling en Ameland.
In deze watervlakte liggen de eilanden Wieringen, Marken, Urk en Schokland, de droogte Grind, benevens eene menigte zandbanken, vooral in het noordelijke gedeelte, die aldaar verschillende vaarwaters vormen, waaronder het Amsteldiep, den Balg, te Texelstroom de Vlieter, het Oude-Vlie, het Zuidooster-rak, de Jettings en de Reepel, de voornaamste zijn.
Zij beslaat eene oppervlakte van 60 v. m., is 23 u. lang en, op hare grootste wijdte, 15 u., tusschen Stavoren en Enkhuizen, waar zij het smalste is, echter maar 5 1/2 u. breed. Onderscheiden rivieren ontlasten zich in haren boezem, waaronder de voornaamste zijn: het IJ, de Ijssel, het Zwartewater, de Vecht, de Eem en de Kuinder.
De schrijvers zijn het allen niet eens over den tijd, wanneer de tegenwoordige Zuiderzee tot zulk eene groote plas geworden is; volgens het gevoelen van eenige schrijvers zoude de Zuiderzee na de elfde eeuw eerst tot eene binnenzee geworden zijn.
Volgens Racer oirkonde is zij in 1134 waarschijnlijk doorgebroken tusschen Urk en het land van Vollenhove. Ver de meesten komen daarin overeen, dat die zee voorheen ten deele uit vast land en ten deele uit groote en kleine meren, die in elkander liepen, heeft bestaan.
Wanneer men de oudste schrijvers raadpleegt, dan leest men, dat Plinius de Veroneser (tijdgenoot van Cornelius Tacitus), die ten tijde van Vespasianus, in het 80ste jaar onder gemeene tijdsrekening geleefd heeft) in het 15e hoofdst. van zijn 4e boek, omtrent dit gewest aldus schrijft: "In den Rijn zelf, bijna honderd duizend schreden in de lengte, ligt het voortreffelijk eiland der Batavieren en Kaninefaten en anderen, als de Friezen, der Cauchen, der Frisiabonen, der Sturiers en der Marsaten, die zich verspriedden tusschen Hellevoet en 't Flie (Helium en Flevum), zoo noemt men de monden door welke den Rijn zich uitstort, en zich ten N. in een meer, ten W. in den vloed de Maas verspreidt: miden tusschen welke twee monden of uitwateringen eene middelmatige kil zijnen naam bekomt.
" En Pomponius Mela, de Spanjaard, die onder Keizer Claudius leefde, zegt in zijn 3e Boek op het 2e hoofdst.: " De Rijn, van de Alpen afstortende, maakt, nabij zijnen oorsprong, twee meeren, het Veneetsch en het Acronisch, van daar lang met onveranderende en onverdeelde kil, nederwaarts stroomende, wordt niet ver van de zee verdeeld, maar ter linkerhand behoudt de kil, tot daar zij uitvloeit, den naam van Rijn.
Ter regterhand is zij eerst eng en zich zelden gelijk, daarna, de oevers van wederzijden geweldig krimpende, nu niet meer eene rivier maar een groot meer. Als hij de velden bedekt heeft wordt hij 't Vlie genaamd; en een Eiland van dien naam omvat hebbende, valt zij, wederom naauwer en eene zivier geworden, in zee." Uit deze twee plaatsen willen eenigen opmaken en vaststellen, dat de Zuiderzee ten tijde van Tacitus en Pomponius Mela, niet alleen een groot meer, maar reeds eene openbare zee geweest is, die vóór de bedijking van tijd tot tijd haren boezem vergroot, en door het afknagen der oevers, hare palen rondom wijd en zijd uitgezet heeft. Anderen spreken deze oudheid der Zuiderzee tegen, en meenen, dat er voor het jaar 1203 nog geen Zuiderzee bekend was, maar dat er omtrent dien tijd bij het Vlie, Enkhuizen en ten W. van Friesland nog veel land en bosschen gelegen hebben, onder welke bosschen het Kreislche- of Kleilerbosch thans nog eene plaat de Kreil, het voornaamste was. Ook verhaalt Ubbo Emmius, op het jaar 1222, " dat men in dien tijd ten W. van Friesland en de Middelzee of het Boerdiep vele landerijen had leggen, daar nu eene wijde zee overgolft. Want de Ijssel, die de wateren van den Rijn door de gracht van Drusus ontvangt, plagt zich niet aanstonds bij de stad Kampen, zoo als hij nu doet, in dien grooten boezem, dat is de Zuiderzee, uit te storten, en elders zijn dien naam en oevers te verliezen; maar hij behield een wijl tijds zijne kil en liep midden door de bouwlanden."
En op eene andere plaats zegt hij: " Het Vlie, eertijds wijder zijnde, was op deze tijd (omtrent het jaar 1222) tusschen Enkhuizen en Stavoren niet veel breeder dan eene beek of een vlietje, al de rest was met bouwlanden of met bosschaadjen bezet.
Men meent alles belsist te zien uit het verhaal van Melis Stoke, die in zijne Rijmkronijk zegt: dat Graaf Willem I, de dood van zijnen broeder, Dirk VII, verstaan hebbende, uit Friesland te paard in het dorp Zijpe (in Noord-Holland gelegen) aangekomen zijnde, hetwelk niet gevoegelijk konde geschieden, indien er eene groote zee tusschen beide lag, en waaruit Menso Alting dan ook besluit, dat er toen nog geen Zuiderzee bekend was.
Op dit voetspoor meenen dan de meeste schrijvers en dit komt ook ons het waarschijnlijkst voor, dat de tegenwoordige Zuiderzee niet altijd van die uitgestrektheid geweest zij, maar doot groote watervloeden en geweldige overtroomingen van den oceaan, steeds meer en meer in omvang heeft toegenomen, zoo dat reeds de groote watervloeden van de jaren 350, 533, 695 en 733, gewigtige veranderingen in de uitgestrektheid der Zuiderzee hebben veroorzaakt, doch dat zij eerst sedert het begin der twaalfde eeuw, tot zulk eenen uitgebreiden zeeboezem of openbare zee is geworden.
Waarschijnlijk moet men de eerste aanmerkelijke verandering, welke die zeeboezem ondergaan heeft, brengen tot dien grooten watervloed van het jaar 1170, wanneer door eene verschrikkelijke storm het water over dijken en duinen heenloopende, niet aleen al het land tusschen Texel, medemblik en Stavoren van het water werd ingeslokt, maar zelfs de zulte baren voor de stad Utrecht kwamen, zoodat men daar eb en vloed had, en de zeevisch, bolk of wijting genoemd, voor de stads muren gevnagen werd. Godfried, een Monnik van St. Pantaleon, binnen Keulen, verhaalt mede op dat jaar: " dat de zee, door de woeden der winden voorbij hare grenpalen gejaagd, op den 3 van Salagtmaand, Friesland omtrent Stavoren voor een groot gedeelte verdronken heeft." Anderen stellen dien bobennatuurlijken vloed en krachtigen stormwind drie jaren later voorgevallen, namelijk 1173, wiens wederga volgens de beschrijvingen, geen mensch ooit gezien heeft, want oude lieden verbeelden zich, dat het eenen tweede zondvloed was, die de geheele wereld overstroomd en verdronken zouden hebben: en toen meent men, dat Texel, Wieringen en de landen daaromtrent tot eilanden geworden zijn, alsmede, dat het Kleilerbosch is weggeraakt. Vossius zegt in het tweede zijner Jaarboeken: "dat in Mei, de sneeuw door de zon gesmolten zijnde, de Rijn en de Maas zoodanig deed opzwellen en overloopen, dat het water zich over de velden van Holland en Utrecht verspreidde. En mogelijk (dus gaat hij voort) is op dien tijd de Oceaan zoodanig gewassen, dat de stervelingen eenen nieuwen zondvloed voorspelden. Daar was een groote ondergang van boomen, huizen beesten en menschen; want vele werden onvoorziens overvallen: de ivergige bergden het leven op de daken. De jaarboeken twijfelden niet of het was met Utrecht en andere steden gedaan geweest, had de storm zoo langdurig aangehouden, als zij wel hevig was, had na drie dagen stoof het rivierwater zeewaarts in."
De tweede groote verandering had vermoedelijk plaats in het jaar 1337, want toen is er volgens Winsemius "een verschrikkelijken vloet geweest, die een stins bij 't Vlie, tusschen Texel en Dykshorne gelegen, wegh spoelde. De wint waayde eerst uyt den Westen, daernae uit Zuyden ende Zuydt-Oosten, en vulde also den Ijsel en 't Vlie, met de griften, dat een groot deel van Frieslandt, ten Westen gelegen, onderliep. De landen van Holcama (dese van Holcama hadden met haer graven oorsaek daertoe gegeven) overstroomden in den nacht.
Des 's morgens vroegh was van water, ende riepen tot hare nabuyren: " Het is al Vlie-landt."" Omdat het Vlie het landt overliep en overmeesterde, ende wil men, dat hetselve eylandt daervan den naem soude gecregen hebbe." Slechts dertien jaren na dezen tijd vond er eene nieuwe vergrooting plaats. Gabbema (1) schrijft: "Dat Holland en andere gewesten grooven ramp van de zee hebben uytgestaan, op 't jaar CIC(omgekeerd)CCL trekt Matthijs Paris aan "in zijne Groote Historie onder Hendrik III. Hebbe dat zelfde tot nu toe bij geene andere schrijvers opgebeurt:" doch Gutbeblet zegt hierop in eene aanteekening: " Ik vinde nochtans van deeze vloed gewag gemaakt in eene oude brik van een Friesch Geschigtboek op papier geschreeven en by my bewaard, de woorden van de volgende: In 't jaer oms Heeren 1250 heeft die zee grote scade gedaen an ende om Frieslandt en die grote meren binnen 't landt, als die by Staveren ende dat voert by Harlingen, ende van Staveren toe Enkhusen, ende toe Campen, want dat plach heel lant toe al totter Flee."
Tusschen de drie steden Medemblik, Stavoren en Enkhuizen, bleeg eene hoek lands zitten, die nog gedurende bina anderhalve eeuw Friesland en Noord-Holland aaneen hechtte. " Deze tijd," lezen wij in de Kronijk van Friesland, op het jaar 1255, konde men nog met een rafter of dalve (eenen polsstok of eenen vonder) van Stavoren tot Enkhuizen gaan, en was een goed vast land." Galama (2) zegt: dat Scriverius: in de Aanteekeningen van zijn Oud-Batavia, in 't leeven van Floris III, Graeve van Holland, schrijft dat een onbekende Autheur van een latijnsche Friesche Kronijk zegt, dat in 't jaar CIC(omgekeerd)GCCXCV. de zeegaten tusschen 't Flie ende Texel, door kragt van 't perszende waater ende hooge vloeden, ingebrooken zijn, midsgaaders ook 't vaste land tot de Zuyderzee toe omtrent Meedemblik en Enkhuyzen verdronkken en tot zee gemnaakt."
Hiertoe zal de hooge watervloed van het jaar 1400 (bij van Meteren de Friesche Vloed genoemd) ook veel kwaad gedaan hebben, dewijl er in de Historie der grafelijke regering van Holland, bl. 113, van dien watervloed aangeteekend staat: " Het jaar 1400 zulk een groote storm, dat de gaten tusschen Texel en Wieringen zoo wijd werden, dat men dien tijd af Enkhuizen en Amsterdamn met groote schepen heeft kunnen bevaren, zijnde Dordrecht te voren de aanzienlijkste koopstad op zee."
Volgens de Friesche Kronijk "kon men anno 1420 nog met een rafter (eenen polsstok) van Harlingen op Terschelling hgaan en van Holwert op Ameland. Dog korts na dezen heeft de zee daar eene grote wyte tusschen gemaakt, zodat ons dat gaan benomen en verboden is."
De geheele afscheiding van de eilanden Terschelling en Ameland en de opslijking en allengs voortgaande indijking van het Bildt voltooide en de Zuiderzee in het Noorden en de Friesche kusten aan die zijde. Op deze wijze kan men zich voorstellen dat de Zuiderzee omtstaan en geworden is, tot hetgene zij nu is, in een tijdvak van niet meer dan twee en eene halve eeuw (3).
Uit vele en waarcshijnlijke omstandigheden mag men alzoo gissen en besluiten, dat de tegenwoordige Zuiderzee, ten tijde van Plinius en Pomponius Mela, wel uit een groot en eenige kleine meren bestaan heeft, maar dat zij van tijd tot tijd door opwellingen van den ouden Vliestroom van ouds eenen uitgang, of wel den oostelijken tak des Rijns, en door hevige stormen en overstroomingen tot eenen openbaren zeeboezem is geworden; te meer, als men gadeslaat, dat vóór het jaar 1200 nog geene of weinige zeedijken bekend waren; waar bij gevoegd, zooals de Friesche kronijken getuigen, dat eenige Monniken uit Friesland, die vele landerijen hadden liggen omtrent Vlieland en Ter-schelling, in vroegere tijden tusschen gemelde twee eilanden, grachten hebben gegraven, om daarin door binnenslooten de landen van het zeewater te ontlasten: ja zouden zelfs eene diepe vaart gegraven hebben van Harlingen op Vlieland tot Texel toe; zoodat het wel te begrijpen is, hoe voormaals de ontstuimige zee (zoo vele openingen aan de oevers, en daar achter meren, poelen en gebroken landen vindende) zoo veel land tot water, en dus openbare zee heeft kunnen maken, alhoewel, bij verloop van tijd, de aanklotsende golven nog veel land van de oevers afgeknaagd en weggespoeld hebben; zoo als uit de beschrijvingen der meeste steden, aan de Zuiderzee gelegen, blijken kan, die van tijd tot tijd veel voorland hebben verloren.
Men is thans in het bezit van eene voortreffelijke Hydrographische kaart van de Zuiderzee, in vier bladen, uitgegeven op last van het departement van Marine; een werk, dat in eene langgevoelde behoefte naar wensch voorziet, en de bekwaamheid, zoo van de Heeren Officieren van Rhijn en Blommendal, als van de Graveurs van Baarsel en Tuyn, doet uitblinken. Van deze kaart bestaat, mede eene uitgave op verkleinde schaal in één blad. Ook is er te dezer dage een werk van den Ingenieur van Diggelen in het licht verschenen, waarbij de mogelijkheid en belangrijkheid wordt aangetoond om de Zuiderzee te bedijken en even als het haarlemmermeer aan de zee te ontwoekeren (4).
In de Zuiderzee worden vooral oesters en bot gevangen; de ansjovis is bijna te niet; haring was er vroeger in groote hoeveelheid aanwezig. Zoo ving men in April 1665, 800 lasten, ieder 10,900 haringen, welke voor 15,620 gulden verkocht werden. De kustvaarderij levert nog voor velen een goed bestaan op.
Op den 11 October 1573 viel op de Zuiderzee een merkwaardige scheepstrijd voor, waarin de Noord-Hollanders, onder Cornelis Dirks, de Spanjaarden onder Bosse versloegen en hunnen Vlootvoogd gevangen namen.
In 1670 is de Zuiderzee digt gevroren, zoodat, op den 4 maart van dat jaar, 77 sleden met volk te Enkhuizen aankwamen.
In de maand januarij 1849 legde de Durgerdammer visschers Klaas Bording, met zijne twee zonen Klaas en jacob, zonder het te willen eene uiterst merkwaardige reis op de Zuiderzee af. Op zaturdag den 13 dier maand, begaven zij zich, na hun schamel maal gebruikt te hebben, naar het ijs, ter botvangst; met het voornemen, om, bij eenen eenigzins gelukkigen uitslag, daarmede een gedeelte van den nacht door te brengen.
Zoo namen zij dan ook tot proviand mede eenen ketel met koffij en twaalf sneden roggebrood; welken voorraad zij op den dag van hun vertrek en gedurende den nacht opgebruikten. De vangst was boven verwachting, zoodat zij dan ook ijverig bleven voortvisschen, ofschoon de andere visschers, die zich digter bij de wal bevonden hadden, reeds derwaarts terug gekeerd waren.
Nadat zij, ettelijke uren na middernacht, aldus doorgebragt, en omstreeks zeven honderd vijftig botten gevnagen hadden, wilden zij zich naar huis begeven, maar nu bemerkten zij, tot hun grooten schrik, dat het ijs losgeraakt was en zij op eene schots dreven. Zij wilden naar den kant van den vasten wal sneller, maar stonden, na slechts weinige schreden gedaan te hebben, voor eene wijde, onoverkomelijke sleuf, en nu begon die verwonderlijke zwerftogt, waarbij zij, naar het schint, door wind of stroom, over de geheele Zuiderzee rond gedreven zijn, want zij hebben alle aan de kust gelegen plaatsen, met uitozndering van Elburg, op grooter of kleiner afstand zien liggen. Toen de Zondagmorgen aanbrak waren zij in de nabijheid van het eiland Marken, waar zij toen langs dreven tot 's avonds toe, wanneer de stroom veranderde en hen naar de Geldersche en Utrechtsche kusten heenstuurde. Deze hielden zij Maandag en Dinsdag in het gezigt. Allenskens echter verwijderde de schots zich van de kusten, en benevelde een zware mist alle uitzigt, zoodat zij de vier volgende dagen, Woensdag, Donderdag, Vrijdag en Zaturdag, bij geen mogelijkheid konden gissen, waar zij dobberden. Des Zondags (den tweeden) was de lucht weer helder en zij ontwaarden, dat zij digt voor Enkhuizen waren. Van daar dreven zij, door eenen sterken noordwesten wind voortgezweept, met eene snelle vaart, ten Noorden langs Urk heen. Hiermede verliep de Maandag en Dingsdag, Woensdag boevonden zij zich bezijden tusschen Urk en Schokland. Donderdag en Vrijdag hadden zij het laatste eiland bestendig in het gezigt. Des Zaterdags smorgens waren zij nabij Vollenhove, werwaarts zij steeds voortdreven, hier werden zij door eenige visschers ontdekt en behouden aan land gebragt, hoewel de oudste zoon weinige dagen na hunne redding en de vader eenige dagen later aan de gevolgen van de doorgestane kommer en ellende bezweken.